Bloed

Elke eeuw krijgt de Reynaert die ze verdient. Vandaar dat A.H.J. Dautzenberg in dit feuilleton met zijn 21ste-eeuwse versie van ‘Van Den Vos Reynaerde’ komt.

Illustratie Cyprian Koscielniak

De Vos wordt wakker en merkt meteen dat er iets is veranderd. Hij barst van de energie, hij heeft zin in actie, in ra-ta-ta. De Vos staat op en loopt naar het raam. De Wildernis trekt opeens als een magneet aan hem, een kracht die hij niet kan en ook niet wil negeren. Hier heeft hij maanden op gewacht, op dit gevoel. Mindfulness heeft geholpen. Hij is weer de oude. Dit gevoel mag hij niet meer kwijtraken.

„Vroeg op! Heeft buurman soms plannen?” De Vos klimt over de reling van het balkon, drukt De Raaf tegen de grond en bijt zijn strot door. Het bloed smaakt heerlijk. Hij proeft de vrijheid. Eindelijk proeft hij weer de vrijheid.

Via de regenpijp laat De Vos zich naar beneden glijden. Hij weet wat hem te doen staat. Blij als een kind rent hij door de velden. „Ik ben de koning van de Wildernis!”, roept hij tegen de bomen, tegen de struiken, tegen de stilte van het licht. „Ik ben de koning van de Wildernis en Malpertuis is van mij!”

Wanneer hij zijn burcht nadert, begint de energie nog meer te stromen. Het zelfvertrouwen spuit door zijn aderen. Zo krachtig heeft hij zich nog nooit gevoeld. „Ik ben er weer!”, schreeuwt De Vos en trapt de deur open. „De koning van de Wildernis is terug!”

Zijn vrouw, De Wolf en zijn jongens zitten aan de ontbijttafel. Ze kijken verschrikt op. „Papa!”, roepen zijn zoontjes in koor, gooien hun stoel achterover en stormen op hem af. De Vos gooit de jongens om de beurt in de lucht. „Papa is weer thuis! Papa is weer thuis!”

„In je dromen.” De Vos draait zich om en ziet De Wolf met gebalde vuisten voor hem staan. Hij kijkt naar zijn vrouw, maar die slaat haar ogen neer. „Je krijgt precies tien seconden om te verdwijnen”, zegt De Wolf kalm. „Tien. Negen. Acht. Zeven.” De Vos aarzelt geen moment en duikt op De Wolf. Zijn zoontjes deinzen geschrokken terug.

De Vos krabt, bijt en slaat. Hij is onverwoestbaar. Hij is onoverwinnelijk. De Wolf probeert zich te verweren, maar tegen zoveel agressie en geweld kan hij niet op. Uiteindelijk valt hij uitgeput op de grond, uit verschillende wonden stroomt het bloed. De Vos pakt een groot vleesmes van de tafel, gaat op De Wolf zitten, omklemt met beide handen het houten heft en maakt met zijn armen een draaiende beweging in de lucht.

„Maak hem dood!” De Vos kijkt naar zijn vrouw. Ze straalt. „Maak hem dood!” Ook zijn zoontjes beginnen hem aan te moedigen. De Wolf heeft zijn ogen gesloten, hij weet dat hij heeft verloren, hij weet dat hij gaat sterven. De Vos spant zijn armen, kijkt zijn vrouw en kinderen triomfantelijk aan en…

De Vos schrikt wakker. Waar ben ik? Hij kijkt om zich heen. Hij ligt in bed. „Ik heb gedroomd”, fluistert hij. De telefoon rinkelt. Hij voelt een lichte paniek opkomen en loopt naar het balkon, hij heeft buitenlucht nodig. Waarom blijft De Leeuw zo aandringen?

Wordt vervolgd