Balveroveraar als troetelkind

Op zijn negentiende speelde hij nog op het negende niveau van Frankrijk. Nu is N’Golo Kanté de spil van Les Blues. „Hij heeft alle Franse media in zijn zak.”

Baptiste Cousseau pakt een promotiemagazine uit het schap in de indoorhal bij Stade Maurice Hubert. Hij bladert naar een artikel over sportvereniging JS Suresnes, de voetbalclub hier in deze gemeente net buiten de stad Parijs. „Kijk, dit is N’Golo”, zegt hij, wijzend op een foto waarin twee spelers in het gele shirt van JS Suresnes in duel zijn met een tegenstander. „En dit”, wijzend op de teamgenoot, „dat ben ik. Hij heeft het wel verder geschopt ja. Ik was rechtsback, maar N’Golo speelde overal. We deden weleens zo’n conditietest en hij haalde 23 kilometer per uur en bleef maar gaan. Dat wilden we allemaal wel.”

Het is de zaterdag na het openingsduel van Frankrijk tegen Roemenië (2-1) in Stade de France, waarin een tegenvallend Frans elftal dankzij de bevlieging van Dimitri Payet een katerige start aan het EK voorkwam. Payet de held met een schitterende goal, maar Kanté, in zijn schaduw, de noeste werker, onderschepper van passes en winnaar van tackles in de vele zones die hij bestrijkt. Onmisbare schakel van de Franse haantjes.

Hij debuteerde in de oefenwedstrijd tegen Oranje eind maart, scoorde op zijn 25ste verjaardag vier dagen later tegen Rusland. En hij is nu al zó belangrijk op het EK dat hij, uit vrees voor een schorsing of blessure, in de laatste groepswedstrijd tegen Zwitserland aan de kant gehouden werd door bondscoach Didier Deschamps. Zondag wacht de achtste finale tegen Ierland, in Lyon.

Tot zijn negentiende speelde hij hier, bij JS Suresnes. Waar talenten tegenwoordig nog net niet als kleuter worden weggehaald bij hun amateurclub, speelde de controlerende middenvelder van het huidige Franse elftal zijn gehele jeugd en puberteit in deze wijk aan de linkeroever van de Seine, tegenover het Bois de Boulogne. Gevraagd op welk niveau dat was, telt Cousseau op zijn vingers de divisies na, beginnend bij de Franse profcompetitie, de Ligue 1. Hij stopt bij negen vingers. „Négen. Ja, het négende niveau in Frankrijk”, zegt hij.

Over het hoofd gezien

Het mag gezien Kantés huidige status een blamage mag heten voor het scoutingapparaat van Franse profclubs. Over het hoofd gezien, vrij letterlijk, door profclubs, afgewezen bij het gerenommeerde nationale opleidingsinstituut in Clairfontaine. Inmiddels weet Kanté zich, jaren later, volgens Franse media in de warme belangstelling van het poenerige PSG.

Zaten ze te slapen toen Kanté een tiener was? „Weet je wat het is, hij was gewoon echt te klein voor profvoetbal” zegt Pierre Ville, clubbestuurder van JS Suresnes. „Op zijn vijftien, zestiende is hij vaak bekeken door clubs. Ik kende zijn kwaliteiten, maar hij heeft niet het karakter om het dan even te tonen. Hij dringt zich niet op. Dat is lastig natuurlijk. Maar als iemand het verdient om door te breken, dan is hij het.”

Hij was ook écht klein. Op een foto uit zijn jeugd kijkt hij omhoog naar een ploeggenoot die een beker ver boven zijn hoofd houdt. „Al zijn teamgenoten staken ruim een kop boven hem uit”, zegt Ville. „Maar hij rende altijd heel hard en was extreem braaf. Hij luisterde heel goed, sprak vrijwel nooit. We wisten ook nooit helemaal zeker of hij ons begrepen had als we hem probeerden iets uit te leggen. Hij lachte alleen maar een beetje. Maar als we hem dan op het veld twee, drie acrobatenacts zagen uitvoeren, dan wisten we dat het goed zat.”

Cousseau laat foto’s zien van de avond daarvoor in Stade de France. Hij was erbij, de zege op Roemenië in het openingsduel van het EK. „We hebben nog steeds regelmatig contact, hij schaamt zich niet voor zijn achtergrond.” Het contrast tussen Stade de France en Stade Maurice Hubert kan amper groter. Het woord ‘Stade’ alleen al: vier lichtmasten om een veld met aan een van de lange zijden een tribune voor zo’n driehonderd man.

Zijn faam kwam na die jaren zeker niet als bij toverslag. Kanté kon uiteindelijk vanaf 2010 snuffelen aan het echte werk bij US Boulogne, aanvankelijk in de Ligue 2, een jaar later in de semiprofessionele derde divisie. Van Boulogne ging hij naar Caen, dat met Kanté in 2014 promoveerde naar de Ligue 1. Hij had pas één seizoen op het hoogste Franse niveau gespeeld toen een jaar geleden ineens Leicester City aanklopte – toen nog bepaald geen grootmacht in Engeland.

De rest is geschiedenis. Met Kanté werd Leicester City de miraculeuze kampioen van de Premier League. Hij was essentieel als balveroveraar in het team dat op de tegenaanval loerde. Hij maakte dat counterspelletje mogelijk, met zijn longinhoud en strijdbaarheid. „Water beslaat zeventig procent van het aardoppervlak, Kanté de rest”, zeiden ze in Leicester. Steve Walsh, scout van de club, heeft eens gezegd dat Leicester altijd met een driemansmiddenveld speelt. „Danny Drinkwater in het midden, Kanté aan beide zijden.”

Waar hij ook kwam paste Kanté, van Malinese afkomst, zich aan. Aan het niveau, maar ook aan de geldende mores. Clubbestuurder Ville van JS Suresnes ziet in Kanté „een beetje een chouchou”, een troetelkind van de natie. Rolmodel in een tijd waar Franse internationals zich hun sterrendom laten welgevallen.

Geen ‘bling-bling’

Kanté blijft ver weg van de cultuur van ‘bling-bling’, zegt Ville. Na alle onverkwikkelijke affaires in de laatste jaren, van de spelersopstand in Zuid-Afrika tot de juridische procedures rond Benzema en Ribéry, is hij het soort speler waar Les Bleus en de Fransen behoefte aan hadden. Na twee wedstrijden tijdens dit EK werd Kanté al als held van de natie geprofileerd op de voorpagina van de deftige Le Monde. „Met zijn onveranderlijke glimlach en zijn popperige gezicht”, schreef de krant, „heeft hij alle Franse media in zijn zak.”

Ville: „Iedereen houdt van N’Golo. Voor een coach is hij een waar genoegen. Hij past zich aan en zijn gedrag zorgt ervoor dat de groep meer solidair wordt. Ik denk dat een club als Leicester daarom goed bij hem past. Tuurlijk, bij Chelsea of Barcelona zou hij ook wel integreren, maar dat is hele andere mayonaise.” Hij kan, zegt zijn oude mentor, het best bij „een vriendelijke club” spelen.

Waarin die bescheidenheid zich vertaalt? Onafhankelijk van elkaar komen Cousseau en Ville met exact dezelfde anekdote die Kantés afkeer van extravaganza zou illustreren. Na zijn eerste profcontract bij Caen, toch zo’n tienduizend euro per maand, kocht hij een Renault Mégane met honderdduizend kilometer op de teller. „Dure dingen interesseren hem gewoon niet”, zegt Cousseau. „Hij heeft nu een Austin Mini, een taxi neemt hij nooit. Hij is een verstandige jongen, een antister noem ik hem altijd.”

Tijdens de huldiging in het stadion van Leicester moesten teamgenoten hem zo’n beetje naar voren duwen. Even hield hij de beker voor de Premier League-kampioen omhoog, en verdween toen weer achter de bonkige lijven van ploeggenoten op het podium. „Nu hij prof is moet hij soms praten, maar dat is niet zijn sterkste kant”, lacht Ville. „Hij is een atypische voetballer. Voetbal is zijn werk, maar hij heeft daarnaast ook een gewoon, rustig privéleven. Ik zeg niet dat hij een asceet is, maar hij drinkt niet, rookt niet en heeft geen oorbellen of tatoeages zoals andere spelers op zijn niveau.” En dat is een goede zaak? „Dat kon dit elftal wel gebruiken.”

    • Bart Hinke en Peter Vermaas