Slapend mens

Toen ik als jonge journalist begon bij NRC Handelsblad zat ik met twee problemen. Ik wist niet veel van de journalistiek en omstreeks halfdrie in de middag kreeg ik altijd zo’n heftige slaap dat ik mijn ogen niet open kon houden.

Gelukkig werkte ik indertijd op de Amsterdamse redactie, in een kamer tegenover Henk Hofland. Hofland was ook toen al – eind jaren tachtig – een beroemde journalist en hij had een privilege. Flexibel werken was indertijd in de mode, maar Hofland had als enige een eigen kamer. Een kamer met een ligbank. Aan het begin van de middag plakte hij op de deur van zijn kamer een briefje met de mededeling: „Slapend mens.”

Henk was zeer toegankelijk voor jonge journalisten: je kon hem altijd om raad vragen en dat heb ik dan ook vaak gedaan. Minstens zo belangrijk: omstreeks halfdrie mocht ik zijn slaapbank gebruiken. Hij ging dan zelf een halfuurtje ergens anders werken of maakte een ommetje. Henk wist uit eigen ervaring dat je van „de man met de hamer”, zoals wij hem noemden, niet kon winnen; het was tussen ons een stil verbond.

Het andere verbond groeide in de jaren erna: wij schreven beiden graag over taal. Ik heb niet alle mailtjes tussen Hofland en mij bewaard, maar een paar wel. Zo schreef Henk mij in 2007, een kleine twintig jaar nadat ik voor het laatst van zijn slaapbank gebruik had gemaakt: „Als ik weer eens veel mails wil krijgen, schrijf ik een stukje over taal. Deze keer was de kop: Azzietmaarbegrijp. Dat heeft de redactie niet begrepen. Doe je nog altijd je middagdutje? Ik wel.”

Af en toe waren we het oneens. Zo schreef Hofland eind 2011 in NRC Handelsblad onder de kop ‘Heldere taal’: „In deze krant van 7 november staan twee bijdragen over de taal. Veel lezers beklagen zich over de grote hoeveelheid taalfouten. Ewoud Sanders is het er niet mee eens. Af en toe kunnen er een paar doorheen glippen, maar ‘ach, zolang een artikel inhoudelijk voldoende niveau heeft, kan ik me er niet echt druk om maken’. Ewoud, zo begint het, zo raak je op het hellend vlak.”

Op taalkundig gebied had Hofland z’n stokpaardjes. Zo schreef hij geregeld over veranderingen in de uitspraak van het Nederlands. In dat stukje getiteld ‘Azzietmaarbegrijp’ stelde Hofland dat mensen hun moedertaal in fasen leren spreken. „De eerste woorden, de beginselen van de zinsbouw leert het kind van zijn ouders. Daarna komen de andere voorbeelden, nu al een jaar of dertig van de televisie. […] Van het voetbalverslag leer je de hysterische intonatie, het weerbericht is gespecialiseerd in contaminaties, pleonasmen en het door elkaar halen van betrekkelijke voornaamwoorden, en in zeker de helft van alle reclamespotjes gedragen de personages zich als spastische krankzinnigen.”

Hofland zei altijd: „Als je het niet weet, zoek je het op.” Ik zocht zijn naam op in de Grote Van Dale. Hofland wordt er op vier plaatsen aangehaald: met een citaat bij croonen, engagement en privacy. En bij tegels lichten (‘wat vroeger gebeurd is en is verzwegen onthullen, weer ter sprake brengen’) staat: „Naar het gelijknamige boek van H.J.A. Hofland, 1972.”