Minder salaris leidt niet tot leegloop

Topbeloningen

Dijsselbloem is erin geslaagd om bij staatsbedrijf na staatsbedrijf de beloningen aan de top te matigen of zelfs te verlagen.

In het persbericht over de herbenoeming van topman Jos Nijhuis van Schiphol staat niet wat de buitenwereld het meest interesseert. Sluit hij zich qua beloning aan bij de versoberingstrend voor de top van staatsdeelnemingen die minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem (PvdA) heeft voorgeschreven?

Van de aandelen van Schiphol is 70 procent in handen van de Rijksoverheid. Dus is Dijsselbloem betrokken. En leert navraag dat het versoberde beloningsregime ook voor Nijhuis geldt.

Diens vaste salaris stijgt, zij het bescheiden, van 395.461 euro naar 412.902 euro. De stijging is precies zoals Dijsselbloem in 2013 had aangekondigd in zijn beleidsnota over beloningen bij staatsdeelnemingen. Nijhuis had vorig jaar vrijwillig zijn variabele kortetermijnbeloning verlaagd tot 20 procent van zijn vaste beloning (59.319 euro). Nu heeft hij ook zijn variabele langetermijnbeloning (in 2015: 203.732 euro) opgegeven.

Zijn vorige beloningspakket kwam op hoofdlijnen overeen met wat bestuurders van grotere beursgenoteerde ondernemingen ontvangen. Zijn nieuwe pakket is geënt op de post-kredietcrisisnorm waarin politieke overwegingen zwaarder wegen dan marktconforme betalingen. Onder het motto: een staatsbedrijf heeft een publieke taak. Bij de beloning voor die taak spelen andere criteria dan de financiële belangen van de eigenaren een hoofdrol. Ook de bijdrage van Schiphol aan de samenleving bijvoorbeeld.

Nijhuis en de commissarissen van Schiphol hebben zijn arbeidscontract tegen de versoberde voorwaarden met twee jaar verlengd. Hij is al acht jaar in dienst bij de luchthaven. En hij neemt dus genoegen met minder. Net als de andere bestuurders bij staatsdeelnemingen voor hem.

Naar het buitenland?

Bestuurders van staatsdeelnemingen stappen niet een-twee-drie over naar beter betalende banen bij beursgenoteerde bedrijven, of naar buitenlandse concurrenten als de waarde van hun beloningspakket wordt verlaagd. Topmannen zien hun variabele beloning doorgaans wel als integraal onderdeel van hun inkomsten, niet als een extraatje. Een integraal onderdeel dat ze „alleen nog maar” met goede prestaties hoeven te verdienen. Maar verlaging daarvan is geen reden voor een ‘Nexit’.

De tweede constatering moet zijn dat Dijsselbloem en zijn team op Financiën erin geslaagd zijn om staatsbedrijf voor staatsbedrijf de beloningen aan de top te matigen of zelfs omlaag te brengen. Dat is een klassieke wens van de Tweede Kamer.

Bestuurders van staatsdeelnemingen vallen buiten de Wet normering topinkomens (WNT). Zij zijn geen ambtenaren en hun werkgevers zijn ook geen organisaties in de semi-publieke sector (gezondheidszorg, woningcorporaties) waar de WNT geldt. Staatsdeelnemingen zijn bedrijven waar de overheid de enige of de grootste aandeelhouder is en dus haar zeggenschap als eigenaar kan laten gelden. En dat gebeurt.

De afgelopen jaren heeft Dijsselbloem die zeggenschap gebruikt. In het meest recente overzicht over de gang van zaken bij staatsdeelnemingen (over 2014) staat een ‘pronk tabelletje’ met de beloningsverlagingen tussen 2008 en 2014 bij grote staatsdeelnemingen, zoals Gasunie, Tennet (hoogspanningsnet), NWB Bank (financier waterschappen), Holland Casino en de Staatsloterij. De verlaging varieert van een paar procent voor een bestuurder van Havenbedrijf Rotterdam tot en met 45 procent bij de BNG Bank, die gemeenten leningen verstrekt.

Bij de verlagingen heeft team-Dijsselbloem gebruikgemaakt van heldere afspraken en van de regelmatige verlenging van de arbeidscontracten van de bestuurders van staatsbedrijven. Bij de variabele beloning heeft het ministerie gekozen voor de beloningsregels die gelden voor financiële instellingen: maximaal 20 procent van het vaste salaris. Minder mag ook, zegt Dijsselbloem er graag bij. Voor de hoogte van het vaste salaris weegt zwaar hoe de markt waarop de staatsdeelneming actief is, eruitziet. Hoe zwaarder het publieke belang en dus hoe kleiner het commerciële deel, hoe lager het bedrag is ten opzichte van bedrijven op de markt.

Versoberen of verdwijnen

Met het beloningskader in de hand kon Dijsselbloem gewoon wachten tot het arbeidscontract van een bestuurder afliep. De doorsneebestuurder heeft een contract voor vier jaar. Wie dat wilde verlengen had een eenvoudige keus: akkoord gaan met versoberde voorwaarden of het bedrijf verlaten.

Er zijn de laatste jaren wel mensen vertrokken, zoals bij NS. Maar daar had het een andere achtergrond, namelijk de aanbestedingsfraude bij een OV-contract in Limburg. De meeste bestuurders zijn gebleven.

En dat leidt tot de derde conclusie: versobering hoeft geen leegloop aan de top te betekenen. Maar het vergt een lange adem en een samenballing van aandelen. Dijsselbloem kan het doen omdat hij een groot pakket aandelen, soms zelfs 100 procent, bezit. Bij beursgenoteerde bedrijven, waar de aandelen verspreid zijn over (tien)duizenden beleggers is het veel lastiger om een versoberingscoalitie te smeden.

    • Menno Tamminga