Internationaal cultuurlab Nederland verdient stimulans

Nederland is een land waar kunstenaars de ruimte krijgen om kunst te ontwikkelen die internationaal aanslaat. De vraag is hoe lang Nederland die positie nog kan handhaven.

Een man geboren in het Belgische Heist-op-den-Berg en opgegroeid in Kwaadmechelen staat nummer 1 in de tweede ‘NRC Cultuur Top 100’ die NRC deze donderdag publiceert. Regisseur Ivo van Hove (1958) voert de lijst aan van de honderd kunstenaars, cultuurmakers en kunstinstellingen die het afgelopen jaar in het buitenland de meeste invloed hadden. Dat een Belg de titel ‘Nederlands belangrijkste cultuurexporteur van 2015’ krijgt, zegt veel over ons open culturele klimaat.

De Vlaming Van Hove, die sinds 1990 in Nederland werkt, zegt hier zelf over dat hij zich „op cultureel vlak Nederlander” voelt.

Hij heeft in Nederland, onder meer bij de Toneelgroep Amsterdam waar hij nu werkt, kansen gekregen toneelvoorstellingen te ontwikkelen die in de hele wereld aanslaan, vertelt hij in het interview in NRC naar aanleiding van zijn uitverkiezing. Juryleden zijn vol lof uit over het feit dat Van Hove bijvoorbeeld drie producties had op Broadway in een jaar. Daarin is een niet-Amerikaan volgens het Britse jurylid Ruth Mackenzie (directeur Holland Festival) nooit eerder geslaagd.

Zijn unieke successen met toneelproducties in Londen, Parijs en de Verenigde Staten, waar hij op verzoek van David Bowie een toneelstuk regisseerde, zijn in die zin ook het succes van de Nederlandse cultuurpolitiek van de afgelopen decennia, waarin kwaliteit én experiment gestimuleerd werden.

In feite is de hele NRC Cultuur Top 100 – die is gebaseerd op databases met verdiensten, omzet en reputaties van Nederlandse kunstenaars buitengaats – grotendeels een weerslag van het succes van dat jarenlange beleid, waardoor een ruimhartig kunstklimaat ontstond. Ook buitenlanders, zoals de Zuid-Afrikaanse kunstenares Marlene Dumas (nummer drie op de lijst, na architect Rem Koolhaas, de nummer één van vorig jaar) kozen daarom Nederland als basis.

Voor Van Hove is Toneelgroep Amsterdam een laboratorium voor de kunst, zoals heel Nederland voor de overige kunstenaars op de lijst een plaats is, waar ze de ruimte kregen hun kunst te ontwikkelen die internationaal aanslaat. Dat is om trots op te zijn.

Wel is de vraag hoe lang Nederland die positie als internationaal kunstlab op niveau nog kan handhaven. De forse bezuinigingen op cultuur die toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD) in 2011 inzette, zijn weliswaar door zijn opvolger iets verzacht. Maar de koers van de cultuurpolitiek is niet langer ruimhartig maar bekrompen. Hierdoor zou de Nederlandse culturele invloed internationaal de komende jaren kunnen afnemen. Dat zou zonde zijn.