Opinie

    • Frits Abrahams

Hofland (2)

Voor mij moet S. Montag het van de dingen hebben, met zijn mensen kan ik weinig beginnen, schreef criticus Kees Fens in 1977 in zijn recensie van Overpeinzingen, de eerste selectie uit de gelijknamige rubriek in NRC Handelsblad.

Dat hoor je wel vaker over het werk van Henk Hofland: hij zou dingen beter hebben beschreven dan mensen. Misschien ging inderdaad zijn voorkeur uit naar het beschrijven van dingen in de breedste zin van het woord – van voorwerpen tot kwesties – maar ik zou graag willen tegenspreken dat hij minder goed over mensen schreef. Bij het doorbladeren van zijn boeken viel me de afgelopen dagen juist op hoe raak en humoristisch hij mensen kon typeren.

De bundel Het gevoel van Columbus en andere overpeinzingen bevat het stukje Houding geven, waarin Hofland uitlegt hoe moeilijk mensen het vinden een ruimte te betreden waarin anderen zich bevinden. Hij had het op zijn kantoor gemerkt.

„Voor het eerst viel me dat op, al tientallen jaren geleden, bij een man die ik toen als oud beschouwde en die een jaar of vijftig geweest zal zijn. Iedere morgen bleef hij een ogenblik in de deuropening staan, bracht met de vlakke hand naast zijn rechteroor een soort saluut, en riep dan: ‘Mannen-broeders!’ Het was niet leuk bedoeld, het was een dwanghandeling, en van dat korte schouwspel ging dan ook een onaangename spanning uit. Had hij zijn ritueel voltooid, dan was de ergste kramp uit zijn lichaam en geest verdwenen, en hoewel hij nooit helemaal normaal werd, merkten we toch de rest van de dag weinig van hem.”

In de tijd dat Fens zijn kritische kanttekening plaatste, verscheen ook Café de la Paix, een bundeling teksten van Montag uit NRC Handelsblad bij de precieze tekeningen van Rupert van der Linden. Een (vergeten) boekje om nooit weg te doen. Het gaat alleen maar over mensen, alle mogelijke mensen, als ze maar dat café bezochten.

Twee vrouwen converseren aandachtig aan een cafétafeltje. Montag maakt er een tijdsbeeld van – het is 1978. „Waar het om gaat is, dat beiden behoren tot het geheim verbond van vrouwen, zoals de meeste mannen van hun geboorte af lid zijn van het geheim verbond der mannen. En we zien nu, dat eerstgenoemde vereniging hoe langer hoe meer in het openbaar verschijnt.”

Andere tekening: we zien een man en vrouw, eind twintig, aan een tafeltje, de man praat druk op de ietwat gereserveerd ogende vrouw in. Montag schrijft: „’t is niet echt liegen, maar de waarheid is het ook niet en evenmin kun je het ‘versieren’ noemen. ‘Toen moest ik dus naar Tokio en daarvandaan weer naar Portland, weet je waar dat ligt? Aan het loket voor doorgaande reizigers moest ik dus zijn hè? Haha. Nog een glas wijn? Eigenlijk studeer ik rechten, daarom heb ik die fruin altijd bij me, dat boek heet fruin, daar staat alles in…’ Zo gaat het door, ten slotte komt ze op het idee een goed heenkomen te zoeken, vindt het niet helemaal in orde na vier glazen, maar ze heeft er in het geheel geen zin meer in. Is het de lucht van after shave en oud beddegoed dat ze bij vlagen ruikt? Het is meer, maar wat? Ze weet het niet, ze gaat weg.

Dit was een leuke middag, denkt hij.”

Of het nou mensen of dingen waren, als Montag/Hofland ze observeerde kwamen ze tot leven, alsof je ze zelf had gezien, alsof je misschien jezélf had gezien.

    • Frits Abrahams