Engeland is allang een replica van zichzelf

column ‘I want my country back’ zeggen veel Britten. Maar het krampachtig vasthouden van het authentieke zorgt er juist voor dat het je ontglipt, schrijft Christiaan Weijts.

Julian Barnes schreef achttien jaar geleden een roman die vandaag griezelig actueel aandoet: England, England (1998). Een ondernemende multimiljardair koopt het Isle of Wight op, waar hij replica’s laat bouwen van typisch Britse iconen als de Westminster Abbey, Stonehenge, de traditionele cottagehuisjes…

Dit ‘themapark-Engeland’ wordt in de loop der jaren ‘Engelser’ dan het ‘echte’ Engeland, waar de toeristen niet meer heen gaan. Zelfs de koninklijke familie vestigt zich in dit nieuwe land, dat een zelfstandige staat wordt, en lid wordt van de EU, terwijl het oude Engeland daar haar status verliest en wegkwijnt in een soort voor-industriële fase.

Steeds als ik op televisie zo’n straatinterview zie waar een ‘gewone Brit’ zoiets roept als: ‘I want England to be England again’ en ‘I want my country back’ zie ik dat pretpark van Barnes weer voor me. Zoals ik me het ‘Nederland’ dat sommigen willen ‘teruggeven aan de Nederlanders’ als een soort kingsize Madurodam voorstel.

Het is verleidelijk om England, England te lezen als een dystopische roman die waarschuwt tegen overtrokken nationalisme en tegen Brexit, maar volgens mij bevat hij iets nog wezenlijkers.

Wat Barnes beschrijft is namelijk allang gaande. Niet op een apart eiland, maar juist op de ‘originele’ plekken. Wat is Londen, met zijn rode dubbeldekbussen, zijn telephone booths, zijn oude hackney carriage-taxi’s en de toneelstukjes van de paleiswachters anders dan een replica van zichzelf?

Sinds de toeristenbranche de grootste industrie ter wereld is, zijn allerlei plekken hun derde dimensie aan het verliezen. Dat proces is in heel Europa gaande, en allang niet meer alleen in Venetië. Bij Stonehenge zijn onlangs imitaties van ‘neolithische huizen’ gebouwd, en er zijn plannen om er een pretpark naast te bouwen. Elk pittoresk dorpje in Toscane exploiteert zijn pittoreskheid commercieel.

‘England, England’ van Julian Barnes uit 1998 doet vandaag de dag griezelig actueel aan

En hoe strakker dat vlies van het artificiële zich over alles heentrekt, hoe sterker het verlangen wordt om het door te snijden, om uit te pluggen, uit te loggen, te vluchten uit die machine die alles opslokt, versnelt, stroomlijnt, stileert, vermarkt, ontzielt.

‘I want my country back’ zou best eens kunnen betekenen: ik wil mijn werkelijkheid terug.

De les uit Barnes’ fascinerende gedachte-experiment is denk ik dat juist het krampachtig vasthouden van het authentieke, het eigene en het verleden ervoor zorgt dat het je ontglipt, dat het verandert in een lege vorm.

Precies dat is misgegaan met de Europese Unie. Die is opgezet als een constructie om afzetmarkten te vergroten en economische processen te versnellen, zonder oog te hebben voor een gemeenschappelijke bezieling.

De voorzitter van de Europese commissie, Jacques Delors, zei in 1994: „Wanneer we er de komende tien jaren niet in slagen Europa een ziel te geven, een spirituele dimensie en een waarachtige betekenis, dan is alle moeite voor niets geweest.”

Het is nu tweeëntwintig jaar later, en we zijn er verder van verwijderd dan ooit.