Opinie

Een groene plant, een mooie plant

Gouden types. Doe Maar. Fiep Westendorp. Het Nationale Ballet. James Lee Byars.

Bij het reünieconcert van Doe Maar staat het geluid zo hard dat Henny Vrienten (heen-en-weer schuimend op zijn witte gympen) noch Ernst Jansz te verstaan is. Maar dat geeft niet want de 10.000-koppige menigte in de Ziggo Dome vult de songs woord voor woord in. „Carrière maken / Voordat de bom valt…”. Destijds waren die liedjes de werkelijkheid van No Fun, No Future. Nu zijn ze weet-je-nog-wel-oudje. Niettemin deint er ook publiek dat ten tijde van die hits nog geboren moest worden. Voor hen is Doe Maar cult. Wel geinig.

Dan komt Joost Belinfante op. Het gezicht van de vergeten folkband CCC Inc. die ik, voor mijn gevoel honderd jaar geleden, zag spelen op een schoolfeest. Toen was Ernst Jansz er ook al bij. Hij had het langste haar. En hij had zijn moeder meegenomen – wat opzien baarde, want in die tijd deed iedereen of hij geen ouders had. Ouders waren per definitie square.

Belinfante loopt tegen de zeventig. Grijze baard. Tuinbroek. Square. Hij begint hompig te swingen. Square. En zet een lange song in:

„Dit is een lied over een plant. / Een groene plant, een mooie plant…”

Square? Zou je denken. Maar Belinfante houdt de complete Ziggo Dome in de ban met zijn ode aan de ‘Cannabis Sativa Hollandica’, met in het hart de geweldige kreet: „Nederwiedewiedewiet!”

Charisma kun je niet leren. Je kunt het hebben en het dan ontwikkelen. Ik loop binnen hij het Haagse museum Meermanno, voor de expositie van de illustraties van Fiep Westendorp. Bekijk alleen maar hoe ze een veiligheidsspeld tekende en je weet hoe het zit. Ze was een geweldige tekenaar, dat om te beginnen. Maar met letterlijk élke illustratie laat ze iets extra’s in mijn hersens trillen. Een inzicht, een grap. En dat doet ze niet omdat ze diep wil doen, maar omdat ze zo denkt.

Ben je een danser bij Het Nationale Ballet, dan ben je goed, anders nemen ze je daar niet aan. Met heel goed plus charisma kun je solist worden. Dan ben je Igone de Jongh, bijvoorbeeld. Of Jozef Varga. In de voorstelling Transatlantic zie ik de choreografie ‘Year of the Rabbit’. Die gaat, lees ik in het programmaboekje, over de verhouding tussen solisten en het corps de ballet. Maar in dit stuk worden álle rollen gedanst door de lagere rangen, er is geen solist te bekennen. Daardoor voel je niet wat er woelt tussen sterren en kanonnenvlees. Hoe kunnen ze dat doen? Niemand springt eruit, en nu zakt het stuk door zijn hoeven.

In 1994 dacht de Amerikaanse kunstenaar James Lee Byars dat zijn einde daar was. In Museum Boijmans is tijdelijk te zien wat zijn antwoord was: in een Brusselse galerie maakte hij een grote installatie rond een gouden kamer en een zwarte kamer. De zwarte kamer sloot hij af. In de, opengewerkte, gouden kamer ging hij liggen sterven, gekleed in gouden kostuum met zwarte hoge hoed.

In Boijmans is de zwarte kamer toegankelijk, binnen ligt een popje van rode stof, een viriel mummietje. In de gouden kamer wappert het bladgoud bij elke beweging die je maakt. De kamer is leeg. En toch is James Lee Byars er. Hij is er heel erg.