Recensie

De Deen die buiten ging schilderen

Christoffer Wilhelm Eckersberg, Vergezicht door drie bogen van het Colosseum te Rome (1815, olieverf op doek, 32x49,5 cm) Statens Museum, Kopenhagen

De Gouden Eeuw van de schilderkunst in Denemarken was niet de zeventiende, zoals bij ons, maar de negentiende. Sinds een jaar of dertig winnen de grote namen van die eeuw ook buiten Kopenhagen aan bekendheid: het Louvre in Parijs en de National Gallery in Londen maakten een inhaalslag en kochten werk van schilders als Christen Købke, Wilhelm Bendz, Peter Christiaan Skovgaard en Johan Thomas Lundbye. Stille, heldere landschappen, interieurs en portretten – „fris als een glas water in de ochtendlucht”, zoals een Deense dichter ooit schreef.

Al die beroemde Denen waren aan de kunstacademie in Kopenhagen opgeleid door Christoffer Wilhelm Eckersberg (1783-1853). Aan hem is nu een flinke tentoonstelling gewijd in de Fondation Custodia, de Nederlandse kunstinstelling in hartje Parijs die ook negentiende-eeuwse Denen verzamelt.

Wilhelm Eckersberg was een veelzijdige overgangsfiguur, een subtiele vernieuwer. Hij stond nog met één been in de Verlichting, bestudeerde optica, meteorologie en geografie. Op zijn dertigste vertrok hij naar Parijs om les te krijgen van de neoclassicist Jacques-Louis David en de kans is groot dat hij later Ingres heeft gekend. Maar hij ontmoette ook Caspar David Friedrich, het opperhoofd van de Duitse Romantiek, en het schilderijtje dat hij in 1821 maakte van drie aangemeerde boten bij volle maan doet niet voor Friedrichs nocturnes onder.

Van Parijs verhuisde hij naar Rome, waar hij een meesterlijk portret schilderde van de beeldhouwer Bertel Thorvaldsen – ook een Deen in Italië. Een felle, wat verbeten kop met helderblauwe ogen en vette krullen. Daaronder heeft Eckersberg verschillende soorten zwarte stof voelbaar gemaakt in Thorvaldsens broek, bovenkleding en cape. Het was het eerste portret waarin hij Ingres en David naar de kroon stak. In Rome schilderde hij ook stadsgezichten naar de waarneming, die er als puntgave, affe schilderijtjes uitzien en niet als olieverfschetsen. Eckersberg durfde afwijkend te zijn in zijn onderwerpkeuze, wist een interessante compositie te maken van een onbetekenend binnenplaatsje en legde niet het volledige Colosseum vast, maar het uitzicht op de stad door drie bogen van het gebouw.

Terug in Kopenhagen, vanaf 1816, werd hij een veelgevraagd portrettist en een schilder van zeegezichten met minutieus nagebouwde zeilschepen: aan beide genres is in Parijs een zaal gewijd. En hij werd professor aan de academie, waar hij belangrijke vernieuwingen doorvoerde. Onder hem werd er niet meer alleen naar mannelijk, maar ook naar vrouwelijk naakt gewerkt, en behalve getekend werden de modellen voortaan ook geschilderd.

Nieuw was bovendien dat Eckersberg zijn leerlingen mee naar buiten nam om en plein air te schilderen. De studenten werden wel eens moe van zijn droge, wetenschappelijke uiteenzettingen over lineair perspectief, maar namen gretig ter harte wat hij hun verder adviseerde: „Schilder naar de waarneming, welk onderwerp dan ook, boerderijen, kerken, kastelen, bomen, planten of dieren, kortom alles wat er is. Laten we vastberaden het grote boek van de natuur bestuderen en ernaar streven alle vooroordelen te vermijden.” Met zulke aansporingen tot intens en onbevangen kijken zette Eckersberg eigenhandig de Gouden Eeuw van Denemarken in gang.

Beeldende kunst

    • Gijsbert van der Wal