De Brexit en de babyboomers

Maarten Schinkel schrijft op deze plek wekelijks over macro-economie en de financiële markten

Zou het demografie zijn? Deze donderdag stemmen de Britten over de vraag of het Verenigd Koninkrijk wel of niet bij de Europese Unie blijft. Het ‘Brexit’-referendum staat niet op zichzelf. In vrijwel de gehele EU is de scepsis toegenomen. De Fransen zijn nog ontevredener over Europa dan de Britten, zo bleek uit onderzoek van het Amerikaanse bureau Pew Research.

Uit dat onderzoek blijkt nóg iets opmerkelijks. Oudere Europeanen, van de generatie die zich nog kan herinneren waarom het Europese project ook alweer werd gestart, zijn daar nu negatiever over dan jongeren.

Van de tien door Pew onderzochte landen zijn er negen waar de grootste ontevredenheid over de EU ligt bij de groep van mensen die ouder zijn dan vijftig. In Frankrijk is slechts 31 procent van hen tevreden over de EU, tegen een meerderheid van 56 procent van mensen tussen de 18 en 35 jaar. De middengroep van 35 tot 50 zit daar tussenin.

Dat is zo in bijna alle landen. Ook in Nederland: daar is een minderheid van 46 procent van de ouderen tevreden over de EU, tegen een meerderheid van 62 procent van de jongeren. Alleen in Italië maakt het niet veel uit.

In het Verenigd Koninkrijk wordt die generatiekloof nu op de spits gedreven. Bekend is dat Britse ouderen in het referendum in meerderheid voor een Brexit zijn, terwijl de jongeren juist in meerderheid willen blijven.

Ouderen zijn overal in Europa eurosceptischer en hebben als consument minder vertrouwen

Waar komt die kloof vandaan? Eén aanwijzing is het consumentenvertrouwen. Wie dat in Nederland uitsplitst naar leeftijd, zal zien dat het vertrouwen structureel lager is naarmate de leeftijd vordert. De afname van vertrouwen met de leeftijd is zichtbaar in veel industrielanden, tot en met de Verenigde Staten toe. Het vertrouwen is ook lager naarmate de opleiding lager is, en bij mensen zonder werk.

Als je daar een gemeenschappelijke noemer aan zou willen geven, dan is dat misschien wel ‘machteloosheid’. Hoe jonger je bent, hoe hoger opgeleid en aan het werk, hoe meer je in staat bent (of denkt te zijn) om je eigen lot vorm te kunnen geven.

Hoe ouder je wordt, hoe lager opgeleid je bent, of bij werkloosheid, hoe meer je moet aanvaarden dat dit lot in hoge mate in handen ligt van anderen, van instanties, van verre autoriteiten. Denk aan de uitkering voor de oude dag, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid inkomen. Denk aan voorzieningen en zorg.

Vijftigers die zich in de flexibiliserende arbeidsmarkt zorgen maken over hun baan, of eenmaal werkloos geen nieuwe kunnen krijgen. Gepensioneerden die in de krant moeten lezen dat hun pensioen wordt gekort. Het worden er, door de vergrijzing, relatief steeds meer. Want de bult van de naoorlogse babyboom-generatie schuift in de bevolkingsopbouw omhoog.

Of er een directe samenhang is of niet, feit is dat het consumentenvertrouwen de afgelopen decennia een structurele daling vertoont naarmate de leeftijdsgroepen met een laag vertrouwen relatief groter worden.

Zou zich juist in de oudere generaties een groeiend wantrouwen tegen het harde kapitalisme ontwikkelen, dat dan wel ter linker, of ter rechterzijde neerslaat in opiniepeilingen, verkiezingsuitslagen en referenda? Lastig te zeggen. Verder dan een educated guess komt deze late babyboomer (1960) nog niet. Maar het zou zacht uitgedrukt niet de eerste maal in de geschiedenis zijn dat de babyboom-generatie haar stempel drukt op het maatschappelijke klimaat. Al zou het wel ironisch zijn als de babyboomers zich nu op latere leeftijd blijken te bekeren tot het antikapitalisme uit hun jeugd.