Vrees voor medicalisering geboorte

Verloskundigen hebben kritiek op een kabinetsplan om de geboortezorg te wijzigen. Ze vrezen een te grote rol voor ziekenhuizen.

Foto Getty Images

Met fakkels trok een stoet verloskundigen eerder deze week door de hoofdstedelijke binnenstad. Amsterdamse vrouwen konden daardoor op dat moment niet thuis bevallen, ze moesten naar het ziekenhuis. Een „stiptheidsactie”. Op deze manier uitten verloskundigen hun onvrede over de plannen die minister Schippers (VVD) met de geboortezorg heeft. Die moet anders, vindt zij: een grote wijziging moet in 2017 worden doorgevoerd. Vandaag praat Schippers erover met de Tweede Kamer. Nu maken zorgverzekeraars nog aparte geldafspraken met verloskundigen en ziekenhuizen over de geboortezorg, maar er moet „integrale bekostiging” komen. Dat betekent ook dat gynaecologen en verloskundigen nauwer moeten samenwerken. Deze stap maakt deel uit van de aanpak om babysterfte terug te dringen.

1Waarom zijn verloskundigen ontevreden?

Het is geen toeval dat er in de protestnacht afgelopen dinsdag geen thuisbevallingen konden plaatsvinden: dat is volgens veel verloskundigen de toekomst als het plan van Schippers doorgaat. De geboortezorg zal medicaliseren, vrezen zij. Verloskundigen vermoeden dat de financiën zullen worden uitbesteed aan ziekenhuizen, omdat zij, grote bedrijven, er al de infrastructuur voor hebben. Als het ziekenhuis op die manier het voortouw neemt, zullen vrouwen mogelijk eerder geneigd zijn daar te bevallen – met een grotere kans op medisch ingrijpen. Een andere vrees is dat de verloskundigen onlosmakelijk worden gekoppeld aan een ziekenhuis, terwijl ze nu vaak zelfstandig werken. „Vrouwen hebben in Nederland veel te kiezen, dat is een praktijk die ze prettig vinden’’, zegt onderzoeker Ank de Jonge van het VU-medisch centrum. „Met het plan van de minister is keuzevrijheid niet gegarandeerd.”

Aanstaande ouders krijgen bij een zwangerschap eerst te maken met een verloskundige. Als die vindt dat er een medische noodzaak is, verwijst die de ouders door naar een gynaecoloog. Dat gebeurt in de eerste fase van de zwangerschap in 15 procent van de gevallen, aan de start van de bevallingen bij de helft. Dat percentage loopt op tot ruim 70 procent tijdens de bevalling – bijvoorbeeld door een ruggeprik.

2En wat vinden de gynaecologen?

„Wij zijn vóór het invoeren van een integraal tarief”, zegt gynaecoloog Anneke Kwee namens de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG). „Als je samenwerkt in een team kun je meer doen.” In wezen is de verhouding tussen gynaecologen en verloskundigen goed, zegt hoogleraar verloskunde aan het AMC Joris van der Post. „Verloskundigen zijn beducht voor systeemverandering.” Er zijn ook gynaecologen die hun zorgen uitspreken over de snelheid van de veranderingen.

3Wat heeft babysterfte hiermee te maken?

Als het over geboortezorg gaat, gaat het in Nederland ook altijd over de hoge babysterfte. In 2008 concludeerde minister Klink (Zorg, CDA) dat babysterfte in Nederland hoog is. In een toen verschenen rapport stond dat de samenwerking tussen gynaecologen en verloskundigen beter moest. Daar zijn de plannen van nu een uitvloeisel van.

Per duizend zwangere Nederlandse vrouwen overlijden 7,4 baby’s, geteld vanaf 22 weken, blijkt uit onderzoek uit 2014. Meer dan in sommige andere EU-landen. Dit cijfer wordt vaak ter discussie gesteld. Meten de landen wel hetzelfde? Registreren andere landen een gestorven kindje van 22 weken wel?

4In Nederland wordt relatief veel thuis bevallen. Welke invloed heeft dat?

Circa een op de vijf Nederlandse vrouwen bevalt thuis. Het aantal neemt af, maar is vergeleken met de rest van Europa hoog. Volgens Karlijn van Driel van de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen bestaat er geen onderzoek dat laat zien dat babysterftes in Nederland te wijten zijn aan thuisbevallingen. „Babysterfte wordt vaak onterecht in de schoenen van de thuisbevallingen geschoven.”

    • Kim Bos