Speel met moeilijke muziek

In Den Bosch hebben ze een geweldige manier gevonden om het schoolplein schoon te houden. Als de kinderen hun lege pakje Fristi moeten weggooien – normaal gesproken een vervelend taakje, je gooit het liever gewoon op de grond – moeten ze eerst een ladder op klauteren. De prullenbak is op drie meter hoogte geplaatst, las ik maandag op de website van het Brabants Dagblad. Er wordt een spel van gemaakt. Tegelijkertijd is de prullenbak door de klimrekconstructie pontificaal in het zicht.

Het bracht me op een idee. Zouden we dit niet ook moeten doen met al die ‘moeilijke’ muziek van de twintigste eeuw, de componisten die voortborduurden op de twaalftoonsmuziek van Arnold Schönberg? Wordt ze aantrekkelijker als we haar verstoppen, afschermen?

Op de muziek van de modernisten als Pierre Boulez, Karlheinz Stockhausen en Eliott Carter komen nauwelijks mensen af. Waar een expositie van het werk van Mark Rothko met zijn doeken in twee of drie kleuren in het Haagse Gemeentemuseum in 2015 meer dan 265.000 bezoekers trok, was de Haagse Anton Philipszaal in hetzelfde jaar maar voor een kwart gevuld toen Boulez’ Rituel (1975) er werd uitgevoerd. De enige keren dat het grote publiek met atonale muziek wordt geconfronteerd, is in de bioscoop. Bij een horrorfilm of een thriller.

Maandagavond zat ik in het Amsterdamse Theater Bellevue voor de presentatie van een nieuwe ‘game-opera’, een productie van het Holland Festival. En verrek: daarin moet je dus een spel spelen om moeilijke muziek te horen. Je staat op een begraafplaats en je moet een botje zien te vinden. Gevonden, dan word je getrakteerd op muziek van Morton Feldman, of werk van de componiste Anat Spiegel, die zich door Feldman liet inspireren, en surrealistische beelden.

In The Transmigration of Morton F. zie je een vrouw, stemkunstenares Joan La Barbara, die in een jongetje de reïncarnatie van Feldman (1926-1987) herkent. Dat jongetje heeft Feldmaniaans halflang haar en, net als de grootheid van de New Yorkse avant-garde, een dik brilmontuur. Vooral zijn latere werk is fascinerend – het is onvoorspelbaar en leent zich nauwelijks voor analyse. Die stukken zijn vaak heel lang. Zijn Tweede strijkkwartet (1983) duurt zo’n vijf uur.

Een ander kenmerk: zijn muziek is heel… stil. Geen componist speelde zo goed met stilte. Goede muziek kneedt de stilte, en zorgt ervoor dat ze in die stilte doorwerkt. Luister naar ‘For Philip Guston’ (1984), voor piano, fluit en melodisch slagwerk en je begrijpt wat ik bedoel.

Als je je openstelt voor Feldman, vervaagt je besef van tijd en ruimte. Je vergeet dat je eigenlijk een spelletje aan het spelen was.

    • Merlijn Kerkhof