Master of disaster

‘Independence Day’ van Roland Emmerich zette in 1996 een nieuwe standaard voor apocalyptische verwoesting. Maar destructie staat altijd in dienst van nobele idealen, vindt de Duitse regisseur.

‘It’s definitely bigger than te last one”, zucht Jeff Goldblum als een buitenaards ruimteschip met een diameter van 4.500 kilometer langs de maan schraapt en in de Atlantische Oceaan landt om de aardkern op te zuigen. („Waar is hij in de Oceaan geland?” „In de hele Oceaan!”) En onderweg een assortiment Aziatische wolkenkrabbers op de Tower Bridge smakt.

„Ze moeten altijd de monumenten hebben”, zucht Goldblum dan. Ze? Hij bedoelt zeker de Duitse regisseur Roland Emmerich, die in eerdere rampenfilms het Vrijheidsbeeld opblies en wegspoelde, de koepel van de Sint Pieter als een deegroller over een plein katholieken liet denderen en 7 vliegdekschip op het Witte Huis smeet.

„Beslist groter dan de vorige” kan het motto zijn van de 60-jarige ‘Master of Disaster’ uit het Duitse Sindelfingen, die in 1977 na het zien van Star Wars besloot om regisseur te worden. De titel erft hij van Irwin Allen, die met The Poseidon Adventure en The Towering Inferno geldt als de vader van de klassieke jarenzeventig-rampenfilm. Een genre dat Emmerich in 1996 met Independence Day uit de mottenballen haalde.

Een rampenfilm introduceert in het eerste half uur een dozijn filmsterren terwijl voortekens en een profeet/wetenschapper het komende onheil voorspellen. Dan volgt de ramp, met lekker veel verwoesting, en moet een qua ras, sekse en leeftijd gemengd ensemble maar zien te overleven. Ingrediënten: zelfopoffering, onwaarschijnlijke helden, een weerloos kind en/of hond in gevaar, jonge liefde, gezinshereniging en nieuwe hoop als de zon weer opkomt.

Apocalypsfilm

Roland Emmerich zou de qua schaal beperkte rampenfilm herdefiniëren als apocalypsfilm. Dat stond in de sterren geschreven: zijn in 1984 op de Berlinale vertoonde afstudeerfilm heette al Das Arche Noah Prinzip. Nadat hij in Hollywood zijn naam had gevestigd met tijdreisfilm Stargate, trakteerde hij op 28 februari 1996 kijkers van de Superbowl op een videoclip van 1 minuut waarin een kolossaal ruimteschip het Witte Huis opblaast. „Geniet van je Superbowl. Nu het nog kan.”

Het bleek een teaser voor Independence Day, een frisse combinatie van alien invasion- en rampenfilm. De filmtrailer gaf even later zo’n beetje alle special effects en ‘money shots’ weg: Los Angeles, New York en Washington in as, chaotische luchtgevechten à la Star Wars, insectachtige aliens. Dat bleek briljante marketing; de trailer was voortaan een evenement op zich, Indepence Day, dé filmhit van 1996, maakte school.

Ook zonder Emmerich had de rampenfilm wel een comeback gemaakt. Computertrucage beloofde na de doorbraakfilms Terminator 2 en Jurassic Park massale verwoesting veel overtuigender in beeld te brengen dan de maquettes, stop motion en schaalmodellen van vroeger. In 1996 waren tal van digitale rampenfilms in de maak: de tornado’s van Jan de Bonts Twister (1996), de vulkanen van Dante’s Peak en Volcano (1997), de asteroïden van Armageddon en Deep Impact (1998), om nog te zwijgen van Titanic (1997).

Maar Emmerich zette de toon, en na die eerste golf rampenfilms verdween massadestructie nooit meer uit Hollywood. Emmerich, die in 1998 New York nog eens verwoestte in Godzilla (‘Size Does Matter’), zag af van een vervolg op Independence Day toen na 11 september 2001 het opblazen van grote gebouwen met vuurballen even ongepast leek. Maar hij verwoestte de wereld in 2004 met andere middelen in zijn klimaatfilm The Day After Tomorrow (tornado’s boven Los Angeles, vloedgolf over New York, hyperkoude cyclonen die een nieuwe ijstijd inluiden). Waarna hij vijf jaar later wereldwijde destructie liet volgen in Mayakalenderfilm 2012: daar zakten Los Angeles in zee en Las Vegas in een kloof, veranderde Yellowstone Park in een megavulkaan en spoelde een tsunami over de Himalaya.

Verwoesting van wereldsteden door superschurken, aliens of megarobots is inmiddels een vrij vervelend filmcliché. Met dank aan Independence Day, schrijft de Britse krant The Guardian deze week: sindsdien filmt Hollywood alleen nog mega, giga en apocalyptisch. De vrolijke, absurde zomerblockbuster van ooit – films als Back to the Future, Ghostbusters, Indiana Jones – maakten plaats voor militaristische, vreugdeloze massadestructie.

Maar dat geldt niet voor Emmerich, die de wereld doorgaans verwoest met een forse dosis camp en baldadige humor. Dat is best verfrissend: melodrama melken uit massadestructie is eigenlijk veel cynischer. Rampenfilms drijven op catharsis: het oproepen, beleven en zo bezweren van angsten in een veilige omgeving. Dat is iets onschuldigers dan horror-, knok- of gangsterfilms, die geweld verheerlijken. Rampenfilms brengen bovendien het beste in de mens boven: teambuilding, hulpvaardigheid en solidariteit zegevieren.

Linkse boodschap

Emmerich stelt zelf dat destructie bij hem altijd in dienst staat van hogere idealen. Hij heeft een punt: niemand smokkelt zo zichtbaar linkse boodschappen in Hollywoodfilms. In The Day After Tomorrow waarschuwt hij tegen catastrofale klimaatverandering, drijft hij de spot met president Bush jr. en Dick Cheney en laat hij Mexico Amerikaanse klimaatvluchtelingen wél gastvrij opvangen. In 2012 blijken de arken waarin de mensheid overleeft, cruiseschepen met luxe cabines voor oligarchen en oliesjeiks – tot het volk in opstand komt. En in White House Down verweert een Obama-achtige president zich met een granaatwerper tegen extreem-rechts tuig en de wapenindustrie.

Of zulke nobele intenties zoden aan de dijk zetten? Het blijft Hollywood. Maar Roland Emmerich wordt rijk met een rein geweten.

Roland Emmerich, koning van de rampenfilm, vindt in Independence Day: Resurgence weer een overtreffende trap van destructie. Arme aarde.

    • Coen van Zwol