Opinie

    • Frits Abrahams

Hofland

Altijd als Henk Hofland enkele weekjes oversloeg met zijn columns voelde ik een vage onrust opkomen. Was er soms iets ernstigs met hem aan de hand? Hij probeerde immers altijd door te schrijven, wat er ook gebeurde.

Ik stuurde hem dan een mailtje, waarna ik per omgaande een zodanig geruststellend antwoord kreeg dat ik begreep dat ik me volkomen ten onrechte zorgen had gemaakt.

De laatste keer, op 11 mei, schreef hij: „Dank voor je opmonterende mail. Als zo’n ouwe zak in mijn situatie niet oppast, valt hij ten prooi aan vereenzaming. Zo’n mailtje helpt. Een week of vijf geleden werd mijn linkeroog getroffen door macula-degeneratie. De regels met letters verbrokkelden, vielen aan stukken. Mijn rechteroog had het al. Van schrijven was geen sprake meer. Maar nu is het allemaal weer aan de beterende hand. Als het zo verder gaat, zie je volgende week weer een paar stukjes. Of de week daarna.”

Over zijn hartproblemen, waarover ik inmiddels uit andere bron had vernomen, zweeg hij maar. We zouden wat al te sombertjes over hem kunnen worden.

Ook in zijn columns was hij weinig mededeelzaam over zijn fysieke sores. Hij heeft zelden meegedaan aan het snel oprukkende gebruik onder columnisten om de lezer vanaf hun ziekbed toe te spreken. Daarin leek hij op zijn vroegere collega Jan Vrijman, die na dertien jaar aan het einde van zijn dagelijkse column in Het Parool plotseling schreef: „Dit is, denk ik, mijn laatste Journaille. De geest wil nog wel, het lichaam weigert. Veel dank voor alle belangstelling.”

Nooit zal ik het gesprek vergeten dat ik in oktober 2004 in New York met hem had. Ik zat daar als columnist om onder meer over de Amerikaanse presidentsverkiezingen (Bush-Kerry) te schrijven, Henk bracht er elk jaar voor de krant enkele maanden door. Hij vroeg me naar zijn vaste hotel, Chelsea, te komen. We hebben toen op zijn kamer een middag lang over allerlei zaken – vooral de krant en de Nederlandse politiek – gesproken.

Hij was reuze bezorgd over de opkomst van radicaal-rechts in Nederland. Van de hele Fortuyn-revolte had hij een grote afkeer, maar wat hem vooral diep gekwetst had was de aanval van Theo van Gogh op zijn persoon. Van Gogh had hem ervan beschuldigd dat hij zich als vrijwilliger bij de SS had gemeld, maar dat hij was afgekeurd omdat hij te klein was. Het was het type karaktermoord waarop Van Gogh het patent had: tegenstanders verbaal liquideren met verzinsels.

Enkele dagen na onze ontmoeting werd Van Gogh vermoord. Hebben wij daar toen nog contact over gehad? Ik kan het me niet herinneren. Maar ook in bovengenoemde laatste mail aan mij kwam Henk weer op die beschuldiging terug, het zat hem nog altijd dwars. Hij voegde eraan toe: „(…) omstreeks de eeuwwisseling zijn we met Fortuyn en Van Gogh ook danig de kluts kwijtgeraakt. Daar gaan we nog eens lekker over schrijven.”

Hij was een formidabele schrijver, niet alleen als columnist, maar ook als essayist. Als columnist was hij de laatste grote representant van een indrukwekkende generatie columnisten die na de Tweede Wereldoorlog opkwam: Carmiggelt (iets daarvoor al), Rubinstein, Karel van het Reve, Blokker, Scheepmaker, Heldring, Brandt Corstius, Komrij.

Henk was niet de agressiefste van die generatie, hij paarde liever bedachtzaamheid aan zijn stilistische vernuft.

    • Frits Abrahams