Tolk en criticus van weldenkend Nederland

Necrologie

Een halve eeuw lang was H.J.A. Hofland meer dan alleen waarnemer van de ingrijpende veranderingen die de maatschappij na de Tweede Wereldoorlog onderging. Hij nam zelf actief deel aan die metamorfoses.

Foto Merlin Daleman

Hij was de tolk én de criticus van het oude en het nieuwe Nederland. Hij wilde niet kiezen. H.J.A. Hofland, die dinsdag op 88-jarige leeftijd in Amsterdam is overleden, was een halve eeuw lang meer dan alleen de waarnemer van de ingrijpende veranderingen die de maatschappij na de Tweede Wereldoorlog onderging. Hij nam zelf ook actief deel aan die metamorfoses, in de jaren zestig maar ook daarna. Dat was in zijn ogen vanzelfsprekend. Voor Henk Hofland, zoals hij voor vrienden heette, was journalistiek niet louter een beroep en een ambacht maar ook een manier van leven.

Lees ook het laatste interview met Henk Hofland, op 11 juni dit jaar in NRC: ‘Ik ben zo nieuwsgierig als de pest’

Die 63 jaar journalistiek stonden grotendeels in het teken van de „dekolonisering” van de burger. Hofland was de hardnekkige en speelse pleitbezorger van die ontvoogding van de Nederlander, die zich ontworstelde aan de zuilen en vervolgens zijn eigen weg zocht. Tot de millenniumwisseling leek de maatschappij daar baat bij te hebben. Toen kwam de keerzijde en Hofland ontwikkelde zich tot de criticus van de vrije burger die zich „zwijgende meerderheid” noemde. De „gedekoloniseerde burger” was volgen hem een „staatverlater” geworden, maakte „kabaal” en genoot van de lusten maar wentelde de lasten van zich af. Hofland maakte zich er zorgen over dat de stamtafel een halve eeuw later werd bejegend alsof die parlementaire waardigheid had.

Niettemin had hij een broertje dood aan conventies die hem zelf beperkten. Hij legde zich nooit neer bij de arbeidsdeling die met de professionalisering van de journalistiek voortschreed. Hofland – in 1999 gekozen tot Journalist van de Eeuw en in 2010 winnaar van de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistische oeuvre – wilde alles in één zijn en bediende zich daartoe van verschillende media. Hij was verslaggever, analyticus, essayist, romancier, performer, leermeester, ingenieur. En dat niet alleen in geschrifte maar ook op radio en televisie.

Eigenlijk heeft Hofland in die 63 jaar van zijn actieve journalistieke leven slechts één genre van het beroep korter beoefend dan hem lief was: leiding geven aan andere journalisten. Het hoofdredacteurschap van NRC Handelsblad, de krant waarvan Hofland al die jaren „het DNA bewaarde”, zoals oud-hoofdredacteur Folkert Jensma ooit zei.

Bombardement van Rotterdam

Hendrik Johannes Adrianus Hofland werd op 20 juli 1927 in Rotterdam geboren als zoon van een marineofficier. Hij genoot een onbezorgde kindertijd. Vlak voor zijn dertiende verjaardag werd die jeugd echter weggeschoten. Het bombardement, dat zijn geboortestad op 14 mei 1940 trof, zou zijn leven een eerste drastische wending geven.

Voor Hofland en leeftijdgenoten als Harry Mulisch en Jan Blokker – alle twee ook uit 1927– werd de Tweede Wereldoorlog de maat der dingen. Henk Hofland was oud genoeg om de aard van de bezetting te doorgronden, maar met zijn dertien jaar te jong voor serieuze actie. De oorlog had voor deze generatie een paradoxaal effect. De bezetting was een tijd van gekwelde ouders én van grote puberale vrijheid. Terugkijkend leek het hem of zijn ‘absolute leeftijd’ was vastgelegd in die periode van repressie en anarchie.

De bevrijding betekende een tweede wending. De ‘restauratie’ van de oude verhoudingen stond haaks op het gemoed van hen die in de oorlog volwassen waren geworden. Hofland weigerde zich te conformeren. Op Nijenrode, een school voor bedrijfskunde, verveelde hij zich. De studie politicologie aan de progressieve nieuwe ‘zevende faculteit’ van de Universiteit van Amsterdam wilde evenmin vlotten. De journalistiek bood een uitweg.

In 1953 meldde Hofland zich bij het Algemeen Handelsblad. Die krant voelde zich toen nog nauwer met de in 1948 opgerichte VVD verbonden dan de eveneens liberale Nieuwe Rotterdamse Courant. Maar ook bij het Algemeen Handelsblad waren er vrijhavens. Zoals de buitenlandredactie, die werd geleid door vrijdenker Anton Constandse. Het DNA, waarover Jensma later sprak, werd in de groep rond de anarchist Constandse gevormd.

In het binnenland was er in die jaren van de familie Doorsnee minder ruimte voor werkelijk onbevangen journalistiek. Dat bleek bij uitstek in 1956, het jaar dat Hofland als reporter verslag deed van de neergeslagen anticommunistische opstand in Hongarije. Nederland balanceerde in die zomer op de rand van een constitutionele crisis en koninklijke echtscheiding. De crisis was ontketend door de affaire rond gebedsgenezeres Greet Hofmans op paleis Soestdijk. Buitenlandse kranten schreven er over, de kranten in Nederland niet of nauwelijks.

Hofland was getuige van dit anti-journalistieke zwijgen. Hij betitelde zijn positie in die jaren als een vorm van „praktische schizofrenie”. Overdag was hij dienstbaar aan de krant die traditiegetrouw een stemadvies voor de VVD afgaf. ’s Avonds werkte hij aan zijn eigen oeuvre.

Wat betreft politieke kleur was dat vrije werk overigens weerbarstig. Hofland was eerst en vooral tégen het rooms-rode-liberale establishment. In 1959 nam hij daarom het initiatief voor een ‘open brief’ aan alle partijen, behalve de „ondemocratische” CPN. Daarin keerde hij zich, samen met Willem Frederik Hermans, Lucebert, Remco Campert en dertig geestverwanten, tegen de „lusteloosheid” van de politieke elite. „Men vraagt ons te gaan stemmen. Wij vragen: waarom?”

Dit pamflet was een van de opmaten tot de omwenteling die zich in de jaren zestig aandiende. Die omslag voltrok zich bij het Algemeen Handelsblad langzamer dan elders, hoewel de redacteuren van die krant op de Amsteramse Nieuwezijds Voorburgwal vanachter hun ramen alles konden zien gebeuren. Toen Hofland in 1964 adjunct-hoofdredacteur werd, moest hij nog enige jaren op eieren lopen. Diep in zijn hart had hij als „anarcholiberaal” wel lol in de provo’s, die het „klootjesvolk” van de „consumptiemaatschappij” te kijk zetten. De bestorming door communistische bouwvakkers van het gebouw van De Telegraaf, schuin tegenover het Handelsblad aan de Nieuwezijds Voorburgwal, wekte sensatiezucht op. De lezer had er echter geen weet van. In de kolommen toonde de krant zich vooral verontwaardigd.

Over de Duitse inval, 10 mei 1940: „Blinde wereldvreemdheid heeft ons geregeerd; op een zwart Fongers rijwiel wilden we aan de vaart der volkeren ontkomen.”

Tegels Lichten, 1972

Dat veranderde toen Hofland in 1968 de jongste hoofdredacteur van Nederland werd en het weifelende Algemeen Handelsblad met een aantal kompanen op de schop nam. Daarvan had de lezer wel weet. En hoe! De lezers keerden de krant, die zich vernieuwde dat het een lieve lust was, gestaag maar onverbiddelijk de rug toe.

Een bundeling van Algemeen Handelsblad en NRC – beide kranten hadden dezelfde uitgever – werd eind jaren zestig onontkoombaar. Om te voorkomen dat een van de twee bloedgroepen de overhand zou krijgen, werd deze nieuwe vrijzinnig liberale fusiekrant van 1 oktober 1970 geleid door een kwartet hoofdredacteuren: mr. A. Stempels, mr. J.L. Heldring, drs. André Spoor en Henk Hofland.

Dat collectieve leiderschap was geen lang leven beschoren. In 1972 raakte Hofland verzeild in een rel. Hij had een fotograaf van De Telegraaf meegenomen naar een privéfeestje ten huize van zijn studievriend Willem Oltmans. Daar was ook de ambassadeur van de Sovjet-Unie te gast, hoewel die in die jaren van Koude Oorlog niet zonder officiële toestemming in Amsterdam mocht zijn. Deze fotograaf nam daar heimelijk foto’s, die De Telegraaf publiceerde. Zo wilde de krant bewijzen dat de journalist Oltmans een cryptocommunist was. Het feit dat Hofland hierbij betrokken was, gaf de directeur van NRC Handelsblad, dat moeizaam van start was gegaan en om lezers verlegen zat, de kans hem op een zijspoor te manoeuvreren.

Televisierecensent op oorlogspad

Hofland werd televisierecensent en zon op wraak. Nog hetzelfde jaar verscheen zijn boek Tegels lichten of Ware verhalen over de autoriteiten in het land van de voldongen feiten. Als was hij een historicus, zo ontrafelde hij de elite die in de coulissen van Nederland na de oorlog alles bij het oude wilde laten. Zo konden foute oorlogsburgemeesters toch burgemeester blijven. Wist een sterrenwichelaar paleis Soestdijk in haar greep te krijgen. Of dacht minister Luns van Buitenlandse Zaken dat Nieuw-Guinea van hem was. En als daar vragen over werden gesteld, belazerde het establishment liever de kluit dan verantwoording af te leggen. Met dit bijna pamflettistische boek bewees Hofland dat journalistiek een vorm van eigentijdse geschiedschrijving is.

Tegels lichten – waarnaar sinds 2006 de journalistenprijs De Tegel is vernoemd – was een ommekeer in het leven van Hofland. Vanaf 1972 was hij niet meer te stuiten. Televisie, radio, weekbladen en kranten: overal dook hij op. Geïnspireerd door het succes van Tegels lichten – en door de jalousie de métier van historici – werkte Hofland mee aan de televisieserie Vastberaden maar soepel en met mate: herinneringen aan Nederland 1938-1948 van de VPRO. Voor dezelfde omroep presenteerde hij het ‘Grand Gala van het Geweld’, een van de thema-avonden die in 1980 live werden uitgezonden. Toen een man achter in de zaal zijn handen als een toeter om zijn mond vouwde en heel hard „gelul” riep, dreigde de bijeenkomst Hofland te ontglippen. Voor moderator bleek hij toch minder geschikt. Hij was beter als duvelstoejager.

Ook in boekvorm dijde zijn oeuvre intussen uit. Hij had er lol om het rijtje – „een boek kun je pakken en meenemen”- in centimeters te meten. Aanvankelijk schreef Hofland essays, te vinden in bundels met titels als Twee helden uit de jaren zeventig (1979) en Orde bestaat niet (1985). Met Het kruiend wereldbeeld, reisverslagen uit Oost-Europa en Sovjet-Unie, over het einde van het zogeheten reëel bestaande socialisme’, muntte hij in 1987 een term die actueel zou blijven.

Over de doorbraak: „D’66 wilde de doorbraak onmiddellijk, soms alsof ze dit artikel op de speelgoedafdeling had aangewezen.”

Tegels Lichten, 1972

Een groot deel van zijn beschouwingen verscheen niet in zijn eigen NRC Handelsblad. Met name de Haagse Post, dat hem een podium bood, gebruikte hij als laboratorium voor drieste stukken over roken en drinken, de neiging van politici om zich door interviewer Ischa Meijer mentaal te laten uitkleden en zijn eigen mini-memoires.

Soms hadden zijn stukken direct effect. Zoals het artikel ‘Er wordt met ons gesold’ uit 1988. Daarin keerde Hofland zich tegen de plannen van de uitgevers om NRC Handelsblad en de Volkskrant te laten fuseren. Dat leek hem een heilloos idee. Hofland had iets vergelijkbaars meegemaakt toen zijn uitgever in de jaren zestig, ook een tijd van ‘persconcentratie’, technische samenwerking zocht met De Telegraaf. Net als twintig jaar eerder sneefden in 1988 de fusieplannen. Pas in 1996 kwam het ervan. De Volkskrant en NRC Handelsblad kwamen veertien jaar onder één dak te zitten. Het was geen doorslaand succes.

Hofland zelf was toen niet meer uit NRC Handelsblad weg te denken. Onder de naam H.J.A. Hofland schreef hij vanaf 1987 wekelijks een of meer keer op de opiniepagina over politiek. In deze traditionele column kon Hofland zijn politieke ei kwijt, vooral over Nederland en Amerika. Deze column was zijn macrokijk op de wereld.

Voor het Cultureel Supplement begon hij later een rubriek over alles wat maar iets te maken zou kunnen hebben met kunst. Literatuur uit zijn jongere jaren, kunstenaars als Jean Tinguely of het geleuter op de klassieke muziekzender: de culturele horizon is zo groot als je hem wil zien. Als S. Montag had hij elke zaterdag een kroniek over de alledaagse werkelijkheid. Die wereld bevond zich vaak in Amsterdam, waar hij ongestoord en weemoedig kon mopperen over hondenpoep of bezopen nieuwlichterij in de straatarchitectuur. Regelmatig verplaatste die wereld zich ook naar zijn geboorteplaats Rotterdam of zijn geliefde ballingsoord New York. In de jas van Montag, sloot hij vriendschap met tramconducteurs en uitvinders.

Romancier en ingenieur

Nadat de Berlijnse Muur in 1989 was gevallen, stortte Hofland zich op een nieuw genre in zijn oeuvre. Hij werd romancier. Zijn debuut was De alibicentrale (1990). Daarna volgden De Jupiter (1991), Nacht over Alicante (1991), Man van zijn eeuw en Het diepste punt van Nederland (beide 1993) en Cicero Consultants (2007). In zijn romans manifesteerde zich een doorgedraaid realisme. Hofland had oog voor het kafkaëske in het leven.

De noodzaak op niveau keet te schoppen, verloor Hofland intussen nimmer uit het oog. Begin jaren tachtig, toen hij zijn persoonlijk leven opnieuw moest inrichten en met een leeg kistje vol boeken over de redactie pendelde, was hij uitgever/redacteur van zijn eigen Gerontobode. Het lezerspubliek was beperkt tot een enkele vrouw in de kroeg.

Eenmaal geworteld op de redactie – op zijn kamertje, waar het rookverbod niet werd gehandhaafd, en een divan stond om een tukje te doen – bouwde hij een eigen werkhuis. Zeven dagen per week was Hofland er. Op zondag placht hij zich vaak te verpozen met zijn luchtbuks en een ingenieuze roos waarop hij kon schieten zonder schade aan te richten. Die kamer was het atelier van de ingenieur die Hofland eigenlijk ook wilde zijn. Met de tierische Ernst van het kind werkte hij aan machientjes, karretjes, bootjes en andere voertuigen. Het perpetuum mobile vond hij niet uit. Maar wel de ‘Sisyphus-machine’ en ander elementair speelgoed voor volwassenen. Idee en uitvoering werden uiteindelijk uitgegeven in het geïllustreerde instructieboek In Rederij Hofland.

Americana

Als Hofland niet in Amsterdam was – of op het Griekse eiland Paros – verbleef hij bij voorkeur in New York. In het artistieke Chelsea Hotel, bevolkt door een vlietend bestand aan pophelden en schrijvers als Allen Ginsberg, William S. Burroughs en Arthur Miller, laafde hij zich aan het artistieke en intellectuele klimaat van de Verenigde Staten. Antiamerikanisme was hem vreemd. Ook hier werkte de oorlog door. Zijn liefde voor dit culturele Amerika werd uiteraard meer dan eens op de proef gesteld. Maar nooit zo ingrijpend als na 2000, toen George W. Bush president werd, en na 2003, toen Bush jr. onder valse voorwendselen de oorlog om Irak begon. Anders dan menig jongere collega-columnist kon Hofland, die in 2001 een eredoctoraat had gekregen aan de Universiteit Maastricht, geen enthousiasme opbrengen voor de lokroep van shock and awe. In een brief aan columnist Thomas Friedman van The New York Times schreef hij: „Wij ‘haten’ Amerika niet, en evenmin uw president. Wij hopen alleen dat hij en de zijnen weer zullen ontdekken dat respect en vriendschap niet gedicteerd kunnen worden. Daarin ligt de oplossing van het probleem. Maar het wordt groter, als u haat veronderstelt waar die niet is.”

De Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog waren voor Hofland het referentiekader gebleven. Saddam Hussein op één lijn met Adolf Hitler zetten, was politieke retoriek maar geen militaire strategie. Week in week uit schreef Hofland vanaf 2003 tegen het beleid van Bush, nu ook in het weekblad De Groene Amsterdammer, waarvoor hij in 2001 eveneens een column was gaan schrijven tegen de gebruikelijke „passende vergoeding”.

De hoop op betere tijden leek Hofland te hebben verlaten. Er sprak steeds meer teleurstelling uit zijn teksten. „De regering-Bush heeft de Verenigde Naties irrelevant verklaard en het internationaal recht herschreven. Vervolgens bondgenoten van zich vervreemd, het anti-Amerikanisme, het antiwesters sentiment bevorderd, de wereld voor het voldongen feit gesteld. Dát is de schok die door werkt”, aldus Hofland enkele maanden nadat Saddam Hussein uit Irak was verdreven.

Rijp voor een staatsgreep

In zijn columns over Nederland permitteerde hij zich meer ironie. Maar waardering voor de politieke elite kon Hofland ook na de ontzuiling niet opbrengen. In die zin was hij zijn tijd vooruit. Het dedain voor politici zou pas begin 21ste eeuw gemeengoed worden. Toen dat nieuwe tijdperk uiteindelijk begon, Pim Fortuyn zich aandiende en de voetbaltribune de toon ging zetten, wist Hofland niet hoe snel hij het establishment juist moest helpen stutten. Fortuyn noemde hij een „kwibus”, al herhaalde hij dat na de moord op hem in 2002 niet meer.

Terwijl Nederland het hart op de tong ging dragen – kwetsen werd een deugd – keerde Hofland terug naar het discours uit zijn jongere jaren. Zijn geliefde auteur Curzio Malaparte dook op. In november 2004, kort nadat Theo van Gogh was vermoord, schreef hij dat „Nederland rijp wordt voor een staatsgreep”. Er woonden zoveel mensen die „een diepe weerzin tot grondige haat koesterden tegen de toestand van de natie” dat was voldaan aan de voorwaarden voor een putsch, zoals beschreven door Malaparte.

Over televisie: „Wat op de televisie vertoond wordt, is meer echt gebeurd dan iedere andere gebeurtenis. Zo prent ze onder andere iedereen die erop komt zijn politieke betekenis in. Ze bevestigt iets waaraan menig burger niet had geloofd of altijd had getwijfeld: dat hij als politiek persoon onmiddellijk kan meetellen en precies evenveel waard is als de voorzitters en de woordvoerders die hij van de officiële journaals kent.”

Tegels Lichten, 1972

Hofland zelf was overigens zelden overspannen, mede door de discipline die hij met het klimmen der jaren aan de dag bleef leggen. De gesprekken werden korter, omdat hij zich steeds sneller weer aan zijn „zegenrijke arbeid” wilde wijden. Voor de nieuwe tijd had hij minder waardering. Dat de journalistiek zich ging „verleuken”, zoals hij vaak opmerkte, kon er bij hem niet in. Ook over zijn eigen NRC Handelsblad maakte hij harde grappen, zij het zelden in het openbaar. De journalistiek bleef voor hem een jongensclub, ook toen wat hem betreft het vak allang was overwoekerd door de financial engineering van de private equity.

Hofland was een van de actiefste geesten die de spraakmakende gemeente van Nederland een halve eeuw lang wist te domineren. Hij was primair met zijn eigen werk in de weer, maar ontpopte zich soms ook als leermeester. Zoals zijn leeftijdgenoten in de politiek een voorbeeld waren voor nieuwe generaties, zo was hij dat voor jongere journalisten. Sommigen wilden leven voor het totale metier. Velen wilden hoe dan ook een Tegel winnen.

Hofland was trots op die prijs, zoals hij ook altijd intens tevreden was met de prijzen die hij zelf kreeg. Toch kon hij niet op zijn lauweren rusten. De tweede helft van de 20ste eeuw was zijn tijd geweest, de 21ste eeuw was hem vreemd. Maar afstand of afscheid nemen, kon hij niet. Hofland vond dat hij gelijk had. Het gelijk van de journalist die leeft van slecht nieuws maar er ook bang voor is. Het gelijk, kortom, van een geëngageerd schrijver.

    • Hubert Smeets