Ruzie Achmea raakt TTIP

Een uitspraak komt pas volgend jaar, maar de zaak werpt haar schaduw vooruit, want de inzet is hoog. Het draait om niets minder dan de juridische status van bilaterale handelsverdragen tussen EU-landen.

In 1991 sloten Nederland en Tsjecho-Slowakije een Bilateral Investment Treaty (BIT), met de gebruikelijke speciale regeling voor arbitrage bij geschillen. Bij de opdeling in 1993 nam Slowakije dit verdrag over. Na toetreding tot de EU in 2004 opende Slowakije zijn markt voor particuliere ziektekostenverzekeringen. De Nederlandse verzekeraar Achmea kreeg een vergunning, maar zag zijn ambities gefrustreerd toen een nieuwe regering in Bratislava de liberalisering deels terugdraaide. Achmea claimde een schadevergoeding, Slowakije weigerde.

In 2012 veroordeelde de ingeroepen speciale arbiter (een rechtbank in Frankfurt) Slowakije tot een vergoeding van 22 miljoen euro aan Achmea. De Slowaakse regering keerde zich daartegen. Zij voerde aan dat de arbiter onbevoegd was sinds het land bij de EU hoorde. In hoger beroep belandde het conflict bij het Bundesgerichtshof, dat de kwestie onlangs voorlegde aan het EU-hof in Luxemburg.

De Duitse rechter acht de speciale arbiter bevoegd en neigt ernaar diens oordeel over te nemen, maar vraagt zich af wel hoe dit soort ruzies zich verhouden tot de rechtsgang die in de Europese verdragen is geregeld. Bij geschillen tussen staten is de relatie helder: in hoogste instantie beslist het EU-hof. Maar bij geschillen tussen een EU-land en een onderneming uit een ander EU-land behoeft die verhouding volgens de Duitse rechter dringend verduidelijking. Het Luxemburgse oordeel krijgt daardoor een lading, die ook het handelsverdrag TTIP raakt dat tussen de EU en de Verenigde Staten in de maak is.