Recensie

Concerten aan zee in het Kurhaus, toepasselijk licht van samenstelling

Wonderlijk te bedenken wie er allemaal optraden. Horowitz, Stravinsky, Callas, Bernstein, Dietrich, Brel, Ellington, Coltrane. Maar sinds 1972 was het Kurhaus in Scheveningen niet meer in gebruik als concertzaal, een incidenteel evenement, concours of bal uitgezonderd. Totdat het Festival Classique na negen jaar rondom de Hofvijver besloot naar zee te verhuizen, en de imposante Kurzaal afgelopen week weer in gebruik werd genomen voor concerten.

Mede door de verhuizing naar zee was het Festival Classique dit jaar leuker en bonter dan voorheen. Het trok in tien dagen met ruim twintig programma’s en wat fringe 42.000 bezoekers, wat nieuwsgierig maakt naar het vervolg. In het najaar wordt duidelijk of de gemeente Den Haag het negatieve subsidieadvies van de Kunstraad opvolgt (artistiek plan te diffuus) en het festival dus op zoek moet naar andere geldstromen.

In de twee festivalweekends lag het zwaartepunt bij vier (uitverkochte) concerten door het Residentie Orkest, dat in datzelfde Kurhaus tussen 1915 en 1968 zomerconcerten speelde. Nu leidde dirigent Antony Hermus het orkest in een operaprogramma dat, passend, gewijd was aan de zee: licht van samenstelling, maar binnen die opzet goed ingevuld en gespeeld in de directe, heel behoorlijke zaalakoestiek.

Antony Hermus zette met contrast en stuwing meteen een Wagnerklank neer die deed verlangen naar meer. Ook in Brittens Sea Interludes maakte het Residentie Orkest indruk door uiteenlopende uitersten in sfeer. En Bastiaan Everink liet in fragmenten uit Wagners Fliegende Holländer horen dat zijn bariton zich in kleur en subtiliteit heeft ontwikkeld, wat doet uitzien naar zijn rol als oppergriezel Klingsor in Wagners Parsifal.

Het artistiek profiel van het festival mag dan aanscherping behoeven, dat het Festival Classique voorziet in een behoefte was al helder.

    • Mischa Spel