Recensie

Andris Nelsons jaagt het orkest naar de hel

Andris Nelsons zou zijn orkesten regelmatig ‘te mooi’ laten spelen. In zijn nieuwste Sjostakovitsjproject worden echter ook middelvingers opgestoken.

Het spijtige van een cd-opname van Andris Nelsons blijft dat je hem niet ziet dirigeren. Zijn grote lijf is zo beweeglijk als dat van een atleet. De 36-jarige Let zakt diep door de knieën en maakt sprongetjes, en verricht ondertussen ook nog toverspreuken met zijn grote armen: brede omarmingen, een sierlijke krul in de lucht, een linkerhand die de eerste violen aanspoort terwijl de rechterhand het koper controleert, met nog een pink over om een kwinkslag in de contrabassen uit te lichten. Tegelijkertijd houdt hij de blik geconcentreerd op de horizon gericht. Klinkend resultaat: een volledige controle over het totale traject, met volop belangstelling voor de details onderweg.

Het maakt de Let zeer geliefd. En kiezen blijkt voor hem soms moeilijk. De Boston Symphony Orchestra was blij om na een jarenlange periode zonder chef-dirigent in Nelsons de ideale opvolger van de zieke James Levine te hebben gevonden. Helaas voor de Amerikanen volgde korte tijd later het bericht dat ze Nelsons met het Gewandhaus Orchester Leipzig moeten delen, waar Nelsons in 2017 Riccardo Chailly opvolgt.

Iets vergelijkbaars overkwam het Koninklijk Concertgebouworkest. In Amsterdam wist men in een vroeg stadium slim een hechte band met de rising star op te bouwen, resulterend in onder meer een complete Sjostakovitsj-cyclus die nog jaren zal duren. Maar inmiddels heeft Nelsons óók een Sjostakovitsjproject met zijn eigen Boston Symphony Orchestra in gang gezet, die onder de marketingtitel ‘Under Stalin’s shadow’ de jaren 1936 tot 1953 (Stalins dood) beslaat en door Deutsche Grammophon in drie delen wordt uitgebracht.

Meer hel alstublieft

Het is wel interessant vergelijkingsmateriaal. ‘Te mooi’ is de paradox die bij de overrompelende live-uitvoeringen van het KCO onder Nelsons soms te binnen schiet. Begaafde blazers spelen daar gesteund door warmbloedige strijkers regelrecht ten hemel, terwijl juist de afgronden van de hel zo duister lonken in veel van Sjostakovitsj’ symfonieën.

Maar hoor de BSO: direct in het eerste deel van de Negende symfonie krijgt de luisteraar een middelvinger toegestoken door een lompe koperboer. Dezelfde trombonisten durven in de Vijfde symfonie de noten bij vlagen plat en emotieloos te spelen. De trompettist tettert sardonisch uit de rechterspeaker. Cellisten hebben soms hoorbaar moeite boven het orkestrale tumult uit te komen. Voeg daar een fluitist aan toe die aan het eind van het openingsdeel van de Vijfde nauwelijks nog durft te spelen, en de teneur is duidelijk: Nelsons’ Sjostakovitsj beweegt van scherts naar terreur en wanhoop, waarbij de esthetiek in dienst staat van de maalstroom van emoties.

De gewenste satire treft Nelsons met zijn orkest in kluchtige toneelmuziek bij ‘Hamlet’. Maar meteen slaat de stemming om zodra daarna de monumentale ‘Achtste’ (1943) wordt ingezet: hier overheerst fatalisme en oorlogsmoeheid, met die befaamde slotnoten als oplichtend puntje van hoop.

    • Floris Don