Het riool liegt niet over drugs

Onderzoek van rioolwater toont aan hoeveel drugs daarboven wordt gebruikt. Een goede aanvulling op andere methoden.

Een medewerker van wateronderzoeksinstituut KWR monstert het rioolwater, op zoek naar sporen van drugs en medicijnen. Foto Tammy van Nerum

„Lavendel??” Erik Emke (46), onderzoeker bij wateronderzoeksinstituut KWR, wijst naar een weelderig veld geurende paarse bloemen op het terrein van de Utrechtse rioolwaterzuiveringsinstallatie. Samen met zuiveringstechnicus Stefan de Heer (47) heeft hij zojuist een monster genomen van het Utrechtse rioolwater op zoek naar sporen van cocaïne en speed, maar wat zich nu vooral in de neusholtes heeft genesteld, is de geur van plas en poep. Emke: „Zo hé, dat stonk.” De Heer -sinds 1999 werkzaam in de waterzuiveringsindustrie: „Oh, ik ruik het al geeneens meer.”

Wie zich bezighoudt met rioolepidemiologie moet een ongevoelige neus en een vaste maag hebben.

Sinds ruim zes jaar gebruiken Nederlandse wetenschappers van KWR het riool als informatiebron voor onderzoek naar drugsgebruik in Nederland. Credo: ontleed het rioolwater en u weet wat men in dit land snuift (cocaïne, amfetamine), slikt (mdma, morfine, viagra), rookt (cannabis) en drinkt (alcohol). Alleen zeer goed in water oplosbare stoffen, zoals ghb, vind je moeilijk terug, zegt Emke.

Maar wat zijn de voordelen ten opzichte van enquêtes die drugsconsumptie in kaart brengen?

Ter nuancering: rioolonderzoek is „een aanvulling” op de huidige manier van drugsonderzoek doen, zegt Annemarie van Wezel, hoogleraar waterkwaliteit en gezondheid aan de Universiteit Utrecht en KWR-onderzoeker. Met de traditionele enquête is weinig mis. Die geeft een helder beeld van drugsgebruik onder specifieke doelgroepen. Toch is er ook een nadeel: geënquêteerden geven sociaal wenselijke antwoorden.

Dat laatste gebeurde ook in het Utrechtse Oudewater. Daar werd dorpsbewoners gevraagd naar hun drugsgebruik. Speed? Nee, daar hadden de Oudewaternaren heus geen ervaring mee. Maar uit het rioolwater bleek heel iets anders. Speed (amfetamine) was er namelijk een populaire drug. Van Wezel: „Het riool liegt niet. Het is alsof je een anoniem plasje van een heel grote populatie afneemt.”

Die ‘anonieme plasjes’ worden geanalyseerd in het KWR laboratorium te Nieuwegein. De binnenkant van het lab is klinisch wit, kasten zijn gevuld met reageerbuisjes, maatbekers, spuiten, pipetjes. Erik Emke maakt het „onbewerkte water” via een aantal stappen klaar voor de analyse in de massaspectrometer.

Rioolonderzoek heeft veel voordelen, volgens Emke. Het is snel. Betrouwbaar. Goedkoop („voor drie miljoen euro breng je het drugsgebruik van heel Nederland in kaart”). En het is een geschikte methode om bijvoorbeeld alcoholconsumptie en drugs- en medicijngebruik te onderzoeken.

In Nederlandse apotheken wordt, zegt Van Wezel, precies bijgehouden hoeveel Viagra over de toonbank gaat. „En dat klopt niet met wat wij in het rioolwater terugvinden. Er zit meer Viagra in dan verkocht wordt. Het wijst erop dat er online illegale ‘apotheken’ actief zijn en daar kan de overheid onderzoek naar doen.”

Want, zeggen de onderzoekers, rioolonderzoek zou vaker leidend kunnen zijn bij het ijken van drugsbeleid. En meer worden ingezet bij de opsporing van drugslaboratoria.

Zo stuit de politie bij invallen in vermeende xtc-labs wel eens op „lege zakken”, volgens Van Wezel. De drugs worden door het toilet gespoeld en de dealer ontspringt de dans. „Als je het rioolwater van het drugslab voor en na de inval controleert en een mdma-piek ziet, dan weet je dat de drugs waarschijnlijk door het toilet zijn gegaan.” Het OM heeft interesse getoond in deze opsporingsmethode, volgens de onderzoekers.

Maar schuilt daarin niet een risico? Een grote populatie mensen monitoren is één ding, maar heel specifiek een woonwijk onderzoeken via het riool is toch een ander verhaal. Komt dat niet te veel in de buurt van profilering? Van Wezel beaamt dat: „We zouden zulk onderzoek op wijkniveau alleen uitvoeren in opdracht van de politie of het OM. Dat heeft te maken met privacywetgeving.”

    • Martin Kuiper