God geeft weer eens geen sjoege

Ernst en humor, plechtige woorden en straattaal, daar zijn ze weer in de nieuwe verhalenbundel van Maarten ’t Hart. En steeds die vanzelfsprekende eigenzinnigheid.

Illustratie Paul van der Steen

In 1983 verscheen bij uitgeverij Atlantis de Zweedse vertaling van Een vlucht regenwulpen. Om die vertaling te promoten reisde Maarten ’t Hart in het vroege najaar van 1983 voor vier dagen naar Stockholm. In een van de achttien uit zijn eigen leven gegrepen verhalen, gebundeld in De moeder van Ikabod, doet hij verslag van deze ‘dienstreis’. Dat hij tijdens deze reis verliefd werd op zijn vertaalster – een getrouwde moeder van drie kinderen – en zij ook op hem, laat ik nu even terzijde. Het meest opmerkelijke aan dit verhaal is namelijk niet die verliefdheid, of zijn gemopper op de wachttijden in restaurants, of zijn beschrijving van het statige vallen van vaatdoekgrote bladeren van een Zweedse boom.

Het meest opmerkelijk is hoe hij in de zeer vroege ochtend van de eerste dag naar station Leiden gaat. Hij legt de afstand van vijf kilometer te voet af, via een sluiproute. De wandeling, met koffer, voert langs achtertuintjes, door prikkeldraadversperringen, over een sportterrein en over een ‘vrij brede’ sloot. ‘Zonder handbagage zou de tocht volmaakt zijn geweest’, merkt hij droogjes op. De vraag of er niet een handiger en misschien ook wel wat veiliger manier was geweest om naar het station te gaan wordt niet gesteld, en dus ook niet beantwoord.

Maarten ’t Hart gaat graag zijn eigen weg, en laat zich daarbij niet van de wijs brengen door sloten of prikkeldraad. Die vanzelfsprekende eigenzinnigheid klinkt door in de hele bundel – en geeft er ook meteen de hoekige charme aan. Bij die eigen weg hoort ook een eigen leefwijze die je gerust calvinistisch kunt noemen: sober, op het gierige af, gericht op productiviteit en nut en niet op gemak en comfort. ’t Hart doet niet aan vakantie, terrasjes, cafés of andere vormen van voorgeschreven vertier. Hij gaat bij voorkeur vroeg naar bed: om acht uur ’s avonds, zodat hij bij het krieken van de dag weer fris uit de veren kan.

Bij zoveel ‘oude’ normen en waarden hoort ook een wat gedragen stijl, zou je denken. En inderdaad: ook nu weer laat ’t Hart zijn alter ego schrijden, neerstrijken, zich vertreden en vertoeven, en legt hij hem woorden als ‘terstond’, ‘nimmer’ en ‘derhalve’ in de mond, al mag hij ook een keer ‘fuck you’ zeggen en zelf uitgescholden worden voor ‘kloteprotestant’.

Grafdelver

Twee van de achttien verhalen spelen zich af in het buitenland: de bovengenoemde Zweedse dienstreis en een merkwaardige Londense episode waarin ’t Hart, als zoon van een grafdelver, belandt in een felle discussie over alternatieve lijkbezorging. In de overige zestien bevinden we ons op bekend terrein: in Zuid-Holland, in en om een grote moestuin in Warmond, in Leiden, in Maassluis en in Voorhout – waar de favoriete Plus-supermarkt van ’t Hart gevestigd is.

In al die verrassend spannende en trouwens ook nogal geestige verhalen staat iets op het spel. Steeds is er wel iemand die Maarten ’t Hart erbij wil lappen. Een vrouw die ongevraagd hennepzaad in zijn tuin uitstrooit, bijvoorbeeld, terwijl hij van Ard van der Steur zelf weet dat het bezit van meer dan vijf hennepplanten strafbaar is. Of bakker Stoof uit Maassluis die Maarten, in 1962, duizend gulden in het vooruitzicht stelt als hij zich wil voordoen als aanrander van een van zijn dochters – om zo een neef van alle blaam te kunnen zuiveren. Of de vier straatrovers die ’t Hart tot medeplichtige willen maken van een overval op een slagerij.

In alle gevallen komt ’t Hart met de schrik vrij. De hennepplanten komen niet op. Maarten neemt de steekpenningen van bakker Stoof niet aan en de neef krijgt zijn verdiende loon. De slager ontkomt aan een roofoverval, omdat ’t Hart de aandacht van een patrouillerende politieauto weet te trekken. Dan volgt er een mooie, laconieke passage. Een van de agenten herkent hem van zijn tuinprogramma op de tv, al kan ze niet meteen op zijn naam komen. „Biesheuvel? Nee, nee, Van ’t Hart, ja, het is hem, Van ’t Hart, die vent van die moestuin en van die vieze recepten.”

De charme van ’t Harts verhalen schuilt niet alleen in een geslepen afwisseling van ernst en humor, van plechtige woorden en straattaal, of in een amusant spel met zijn bekendheid. De aantrekkingskracht van deze Zuid-Hollandse lotgevallen zit vooral in de levenslust die eruit spreekt, in de liefde voor alles wat groeit en bloeit, in het gulzige openstaan voor alles, in weerwil van zijn calvinistische afkomst. De ’t Hart die uit De moeder van Ikabod oprijst, is een montere, onvermoeibare levensgenieter, die op één existentiële vraag nog altijd geen passend antwoord heeft weten te verzinnen: wat moeten we aan met onze sterfelijkheid? Dat zou wel eens de reden kunnen zijn dat hij, hoe afvallig ook, nog geregeld in een kerk te vinden is, zij het officieel alleen als organist.

In het verhaal ‘Hoe God verscheen in Warmond’ ontmoeten we een jongen van tien die op zoek is naar God, die in Warmond zou wonen, aan de Kloosterwei 333. Hij wil hem vragen of hij zijn moeder, die kanker heeft, kan genezen. Maarten ’t Hart brengt hem naar een grote man met een witte baard die door zijn imposante verschijning te boek staat als God en die wel vaker mensen met lastige vragen aan de deur krijgt. Als de jongen hoort dat deze God uit Friesland komt en niet uit de hemel, dan weet hij genoeg: hij raakt zijn moeder definitief kwijt.

Ook in een ander verhaal, ‘De jonge Amadeus’, is ’t Hart getuige van het verdriet om een jonge moeder. Zij is al bezweken aan kanker. Hij is aanwezig bij de rouwdienst in de protestantse kerk van Warmond. Hij verliest zich in geestige details over een door hem op het orgel te begeleiden stuk voor trompet, ontleend aan Mozart. Hij kletst maar door, maar eigenlijk staat hij met de mond vol tanden. De dominee krijgt deze keer het laatste woord, maar ook hij kan niet uitleggen waarom deze aardige jonge vrouw uit het leven moest worden weggerukt. Hij is het er dan ook niet mee eens en noemt het ‘onbillijk’ en zelfs ‘godgeklaagd’. ‘God denkt maar dat voor Hem geen regels gelden, dat Hij zich maar alles kan permitteren, dat er domweg niets is waarvoor Hij op het matje geroepen kan worden.’ Als zelfs de officiële woordvoerder van God het niet meer weet, wie dan wel?

    • Janet Luis