Recensie

Geen ‘Vermeer’

Achteraf gelijk krijgen als vrijwel niemand het met je eens is geweest, geeft voldoening. Het gebeurde Max Beckmann (1884–1950), de befaamde Duitse expressionistische schilder die nazi-Duitsland ontvluchtte en van 1937 tot 1947 in Amsterdam (Rokin 85) leefde voordat hij zich in de Verenigde Staten vestigde.

Onlangs kocht ik bij een antiquariaat een Duitse pocket over Beckmann met dagboekfragmenten en brieven. Al bladerend viel mijn oog op een tekst van zijn vrouw Mathilde (koosnaam ‘Quappi’). Zij herinnert zich hoe zij tijdens hun eerste Nederlandse jaren – het moet omstreeks 1940 zijn geweest – bij vrienden een foto te zien kregen van Het Laatste Avondmaal van Vermeer, een schilder die door Beckmann bewonderd werd.

„Dat – een ‘Vermeer’?’’ riep Beckmann uit, „nooit!” Ergernis was zijn deel, hem werd voorgehouden dat de authenticiteit was bevestigd door een van de grootste kunstkenners. Beckmann liet zich niet overtuigen. „Hoe kunt u dat nou weten zonder het origineel gezien te hebben?” werd hem gevraagd.

„Ik hoef dat niet te zien,” antwoordde hij, „als ik me in Vermeer probeer te verplaatsen, weet ik dat hij nooit zoiets ontworpen en geschilderd kan hebben. Het zou tegen zijn natuur zijn geweest – niemand kan tegen zijn natuur ingaan; bovendien zijn er details die voor Vermeers schilderkunst niet karakteristiek zijn.”

Jaren later, het echtpaar Beckmann woonde in St. Louis, las Mathilde in de plaatselijke krant dat Het Laatste Avondmaal geen ‘Vermeer’ was, maar een vervalsing van ene H. van Meegeren. Beckmann was niet verrast toen hij het aan het ontbijt hoorde. „Ik heb nooit getwijfeld”, zei hij achteloos.

Mathilde schrijft: „Langzaam en zwijgend liep hij naar de deur, bleef staan, draaide zijn hoofd om en zei met zijn typische in de verte gerichte blik: „Weet je, ik geloof dat kunstenaars voor zoiets een zeker instinct hebben; het is tenslotte ons vak.”

Van Meegeren schilderde Het Laatste Avondmaal in 1940 en verkocht het als een ‘Vermeer’ voor 1,6 miljoen gulden aan de Rotterdamse kunstverzamelaar D.G. van Beuningen. De Rotterdamse Kunsthal kocht het op een veiling in Parijs in 1995 voor 113.000 gulden. Men vond dat het niet mocht ontbreken op een grote overzichtstentoonstelling, die dat jaar aan het werk van Van Meegeren werd gewijd. De Kunsthal verkocht het vervolgens voor een onbekend bedrag aan een Nederlandse privé-verzamelaar door.

Een andere ‘Vermeer’, Christus en de overspelige vrouw, verkocht Van Meegeren in 1943 voor 1,65 miljoen gulden aan rijksmaarschalk Hermann Göring. Dat werd na de oorlog zijn ondergang. Het spoor leidde naar hem en hij moest bekennen dat het een vervalsing was, anders zou hij van collaboratie zijn beschuldigd. Op collaboratie kon de doodstraf staan, op vervalsing slechts twee jaar gevangenisstraf.

Van Meegeren kon overtuigend aantonen dat hij de vervalser was geweest: hij kreeg een atelier en schilderde in vier maanden Christus in de tempel in de trant van Vermeer. Hij hoefde het schilderij niet eens te craqueleren, zoals hij met zijn eerdere vervalsingen had gedaan. Hij kreeg een jaar gevangenisstraf, maar stierf voor die tijd.

Ik herinner me een tentoonstelling van zijn werk in Slot Zeist in 1985. Daar hing ook eigen werk van Van Meegeren. Aardig, niet meer, niet minder.

    • Frits Abrahams