Recensie

De tragiek van een talentvol schrijver die jong stierf

Een verhaal dat, dramatisch gezien, klinkt als een klok: briljante schrijver pleegt zelfmoord en wordt pas jaren later gepubliceerd en ontdekt. Dat is het lot dat John Kennedy Toole trof, wiens A Confederacy of Dunces (1980) postuum werd bekroond met de Pulitzer Prize. En ook, zo lijkt het, Breece D’J Pancake, auteur van een compact oeuvre aan korte verhalen dat hem de postume titel ‘de Hemingway van West-Virginia’ bezorgde. Terecht?

Breece D’J Pancake – de tweede naam was het gevolg van een tikfout in een literair tijdschrift – sloeg op zijn zesentwintigste de hand aan zichzelf. Dat was in 1979. Vier jaar later verscheen zijn debuutbundel, nu vertaald als Vossenjagers. Pancake neemt ons daarin mee naar zijn geboortegrond, het achtergebleven, rurale West-Virginia. Het zijn verhalen over te jonge hoertjes, over mijnwerkers, over hanengevechten, drankmisbruik en een seriemoordenaar die een lifter in stilte gratie verleent. Te boek gesteld door een literaire outsider, want dat was Pancake: een grote kerel die de bourgeoisie tot ‘klonen’ bombardeerde, fanatiek flipperde, dronk en contact probeerde te leggen met de onkenbare medemens door, op het opdringerige af, cadeautjes te geven.

Zowel in John Casey’s nawoord als in het voorwoord van James Alan McPherson wordt de nadruk gelegd op Pancake’s relatie tot de valleien van zijn thuisstaat. ‘Zijn kennis van het werk dat de mensen deden, strekte zich uit van het gereedschap dat ze gebruikten tot hoe ze over dat werk dachten. Hij kende de geologie, de prehistorie en de geschiedenis van zijn streek, niet als hobby, maar als zo’n diep deel van zichzelf dat hij niet anders kon dan erover dromen.’

Die kennis is intrigerende grondstof, maar toch niet genoeg voor een geslaagde bundel. Daarvoor zijn de verhalen in Vossenjagers te duidelijk het werk van een beginnend auteur. Ze maken soms een onbeholpen, diffuse indruk. Verhaallijnen springen van de hak op de tak, met relatief weinig pakkende scènes, waardoor ik me er geregeld op betrapte dat mijn gedachten afdreven naar elders. Wie is wie ook weer? vroeg ik me meermaals af, wanneer ik mijn hoofd weer bij de les had.

Ook op zinsniveau wreekt zich het gebrek aan focus. ‘De sneeuw bekogelt mijn pet,’ schrijft Pancake op zeker moment. Maar ‘bekogelt’ suggereert een impact die ik niet met sneeuw associeer. Of wat te denken van zinnen als deze: ‘Onzekerheid krabbelde door zijn bloed en liet hem weer machteloos achter. Algauw begon hij een gesprek om het licht dichter bij de weg te laten lijken.’ Tja.

Pancake’s eigen verhaal is tragisch, zonder meer, maar het is niet de tragiek van het genie dat pas na zelfmoord op waarde wordt geschat. Het is de tragiek van een jonge schrijver met een talent dat nooit tot volle wasdom zal komen. Wat mogelijk nóg tragischer is.

    • Auke Hulst