Recensie

Onkruid is oerkruid dat handig op geboden mogelijkheden inspringt

Onkruid, trek je het uit of geniet je er van? Schrijver Henk Glas laat het in het midden. In zijn korte inleiding staat dat in zijn onkruidgids steeds een „foto als jong plantje is opgenomen”. Daarmee is Glas de dagelijks wiedende tuinier van dienst: „Het jeugdstadium speelt immers meestal de hoofdrol bij de noodzaak van het herkennen.”

Zo jong mogelijk uitroeien. Het staat nergens in die inleiding, maar is de boodschap tussen de regels door. En daar verdwijnen weer de kiemplantjes van prachtige planten als Bitterzoet, Gewone brunel, Vingerhoedskruid, Zachte ooievaarsbek en Vergeet-mij-nietje in de groenton. De hard werkende hobbytuinier krijgt er groen gras en zwarte grond voor terug.

‘Onkruid’ is natuurlijk al lang een achterhaalde term. OK, we vinden het goed dat land- en tuinbouwers hun akkers en tuinderijen vrij houden van planten die wij niet willen eten. Maar een takje met afwijkende blaadjes in het bosje raapstelen of in de verse munt voor de thee is wel een plezierige onderbreking van de dagelijkse routine. „Ik denk dat het een paardebloem is”, zei de mevrouw aan de kassa vorige week zaterdag, toen ik op het afwijkende blad en de bescheiden gele bloempjes tussen de munt wees. Ik hield het op een of andere melkdistel. „Distel? Dit is toch geen distel?” Hij was niet paars genoeg en niet stekelig.

Voor wie wil weten wat er opschiet in berm en eigen tuin is het een handige gids. Bijna alles staat er in. Maar niet de teunisbloem die straks weer alle spoorwegemplacementen allesoverheersend geel kleurt.

Onkruid is eigenlijk oerkruid dat handig (‘magisch’ mag ook voor meer spiritueel ingestelden) op de geboden mogelijkheden inspringt. De belangrijkste is: omgewoelde grond.

Neem de klaproos. De bloem die in de Eerste Wereldoorlog tijdelijk voor een vriendelijk knalrode kleur zorgde op de door bommen en granaten omgewoelde bloeddoordrenkte grond rond de loopgraven. De klaproos werd het symbool dat wordt gedragen ter nagedachtenis aan alle oorlogsslachtoffers.

Henk Glas waarschuwt maar vast: „Bij het opkomen is de klaproos soms moeilijk te herkennen.” Dus voor je het weet staat je tuin er weer vol mee.

Vreemd genoeg is Glas vriendelijk over de meeste onkruiden. „Reigersbek is een heel sierlijk plantje met prachtige bloemen.” Maar voor wie er toch van af wil: „De kiemblaadjes zijn in drieën verdeeld. Hierdoor is de plant al in een vroeg stadium te herkennen.”

Natuurlijk, Zevenblad en Kweek drijft iedere tuinier tot wanhoop. „Zevenblad is geen geliefd kruid”, is Glas’ understatement. De kruipende wortelstokken zijn bijna niet weg te krijgen. „Wanneer een klein deel aan de bestrijding is ontsnapt, is het oude peil weer snel bereikt.” En Kweek „komt de twijfelachtige eer toe dat we het kunnen beschouwen als een van de schadelijkste onkruiden.” Het is een van de weinige planten waarbij Glas het recept geeft om er van af te komen: „krap weiden”. Dat wil zeggen te veel grazers in de wei zetten die alles helemaal kaal vreten. Aardappels poten is ook goed: „Wanneer kweek in de loop van de zomer zes weken geen zon ziet, is het met haar gebeurd.”

Op de achterflap staat: .„Al jaren een vertrouwde gids bij de vraag: laat ik het staan of moet het eruit.” Maar buiten de groentetuin laat de wijze tuinier tegenwoordig veel staan. Zelfs een hoekje brandnetels voor de rupsen. Het spul waar we echt van af willen past in een klein boekje. De monstrueus grote, woekerende Japanse duizendknoop zou ik daar graag in zien. Voor die exoot die zich met meters per jaar uitbreidt was in deze herziene onkruidgids nog geen plaats.

    • Wim Köhler