Oh bakvisroman, help me!

Meisjesboeken ‘Pseudo-emancipatoire meisjesboeken’ moesten in de jaren 70 korte metten maken met de traditionele man/vrouwverhoudingen. Helaas: de Bouquetreeks, vol sterke mannen en kwetsbare vrouwen, bleef populairder.

Miek heeft wel een baan, maar geeft ’m direct op voor het huwelijk. ‘Als ik bij jou ben, bestáán er voor mij geen moeilijkheden meer’, zegt ze als ze voor het altaar staat. De Amsterdamse gymnasiaste en ‘teergevoelige’ heldin van Mieks moeilijkheden (1935) zegt haar tweejarige carrière als apotheker op voor een huwelijk met theoloog Tim. Eind goed, al goed. Althans, in de wereld van schrijfster Sanne van Havelte (1889-1968). En die wereld is voor lezers nog steeds interessant.

In Meisjesboeken van weleer onderzoekt neerlandica en schrijfster Kristine Groenhart aan de hand van haar eigen leesverleden waarom die wereld van meisjeskostscholen, schoolavonturen, vriendinnenclubjes en prille romances haar zo aansprak tijdens haar jeugd in de jaren zeventig. Hoe komt het toch dat dergelijke ‘bakvisromans’ door een generatie vrouwen – geboren tussen pakweg 1950-1975 – nog steeds graag worden gelezen? En hoe verhielden reeksen met (soms verhulde) emancipatoire doelstellingen zich tot de rolbevestigende boekenstroom uit de Bouquetreeks?

Nederlanders lezen voornamelijk ‘ter ontspanning’. Ruim eenderde van de vrouwelijke lezers – de grootste groep is tussen de dertig en de zestig – leest regelmatig romantische of erotische fictie en eenderde leest regelmatig een kinder- of jeugdboek, zo blijkt uit het Consumentenonderzoek juli 2015 van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak. En daar zijn nog steeds ‘meisjesboeken’ bij: populaire fictie die hogere oplagen haalt dan veel literatuur.

Meisjesboekenschrijfster Leni Saris schreef tot haar dood in 1999 meer dan honderd romans met titels als En toen kwam jij, Annemarie en Kruisende wegen en verkocht er tijdens haar leven acht miljoen boeken. Een aantal ervan is nog in druk en wordt nog steeds goed verkocht, volgens Floor Jonkers, haar uitgever bij VBK Media.

Dat danken die boeken niet aan hun literaire stijl, verrassende plot of uitzonderlijke hoofdpersonages. Groenhart betreurt de daaruit voortvloeiende lage literaire status van het meisjesboek. Ze schrijft: „het begrip lijkt synoniem met oppervlakkig, slecht geschreven en met weinig aandacht voor de ernst. Maar: ‘het moest ook niet te diepgaand zijn’. Een te ernstig boek lees je niet voor de lol, en zeker niet op die leeftijd.”

De schrijfster weet nog hoe graag ze als brugklasser bijvoorbeeld Mieke op ’t gym (1960) van Mien van ’t Sant las: „Hoewel Mien zelf nooit op ’t gym heeft gezeten, weet ze de sfeer op dergelijke scholen en de bijbehorende activiteiten [...] goed neer te zetten.” Een dergelijk boek herlezen roept nostalgische gevoelens op en menige moeder gaf haar eigen ‘bakvisromans’ door aan haar dochter, zodat die een beetje kon meedelen in haar jeugdsentiment. Wellicht doen de meisjesboeken ook verlangen naar een tijd die de lezers zelf niet hebben meegemaakt; een overzichtelijke en zorgelozere wereld met een duidelijke maatschappelijke hiërarchie en een meer vastomlijnde rolverdeling tussen man en vrouw.

De hoofdpersonages van favoriete vooroorlogse meisjesboeken zoals School-idyllen en de Joop ter Heul-serie zijn ondeugende, avontuurlijke, jongensachtige meisjes met een slungelig postuur en afgekorte namen. ‘Joop’ (Josephine) ter Heul komt uit een gegoed milieu, zit op de HBS en leidt een zorgeloos leven met veel vriendinnen. Ze maakt haar leraren het leven moeilijk door voortdurend kattenkwaad uit te halen. Kortom: een stoer personage waar je een beetje tegenop kan kijken, maar met wie je zo bevriend zou willen zijn.

Joop is een ‘meisje van haar tijd’. De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul (1919) verscheen in een tijd dat de positie van de Nederlandse vrouw aan het veranderen was. Zo werd in 1919 Suze Groeneweg als eerste vrouw in de Tweede Kamer gekozen. Meisjes in later verschenen meisjesboeken, zoals Mieke op ’t gym van Mien van ’t Sant, waren ook in toenemende mate hoog opgeleid. Hoewel de diploma’s vaak ongebruikt in de kast belandden zodra de prins op het witte paard zich aandiende.

Pulpromannetjes

Een halve eeuw later werden de traditionele verhoudingen verder uitgedaagd. ‘Pseudo-emancipatoire meisjesboeken’, zoals Goedhart ze noemt, moesten in de jaren zeventig korte metten maken met de man-vrouwverhoudingen, zoals die in de ‘bakvisromans’ werden gepresenteerd. Hoogleraar jeugdliteratuur Helma van Lierop noemde het in Normen en waarden in meisjesliteratuur ‘een nieuw cliché’: het (van mannen) afhankelijke meisje werd ingewisseld voor een assertief, zelfstandig studerend of werkend meisje. Het knappe, zorgzame en afhankelijke meisje is gedoemd te mislukken. Ook deze roldeling levert volgens haar een soort formulelectuur op.

Maar in populariteit lijkt niets de Bouquetreeks (sinds 1975) te overtreffen: tegen alle emancipatoire initiatieven in (sterke masculiene man versus knappe kwetsbare vrouw) wordt volgens de uitgever Harlequin wereldwijd iedere vier seconden een boek verkocht. Groenhart schrijft: ‘Het geheim van de boekjes is, volgens mij, de fysieke aantrekkingskracht, die wel voelbaar is, maar niet wordt beschreven. Dat was precies het niveau dat ik aankon op mijn vijf- of zestiende.’

Ze ziet parallellen met Pride and Prejudice van Jane Austen. Dezelfde opbouw: man en vrouw haten elkaar, krijgen elkaar bijna, dan weer niet, dan uiteindelijk toch. De grote vraag die de zogenoemde ‘pulpromannetjes’ voortstuwt is: krijgen ze elkaar? Of beter: wanneer krijgen ze elkaar? Die vertrouwde formule stelt de lezer blijkbaar gerust.

Volgens uitgever Jonkers werkte ook Leni Saris volgens dat vaste stramien: „Ze schreef ontspanningsromans, maar ze geloofde in de verhalen die ze vertelde. Vergelijk het met de snik in de stem van André Hazes. Ik denk dat die oprechtheid de lezers zo aanspreekt.”

Kristine Groenhart: Meisjesboeken van weleer. Querido, 214 blz. € 19,99

    • Dieuwertje Mertens