‘Ik ben een obsessief iemand’

Voor schrijfster en cabaretier Paulien Cornelisse is taal een alibi, vertelt ze bij een Japanse noedelsoep. „Mensen laten zich kennen door hoe ze praten.”

Foto Frank Ruiter

We lunchen bij Yamazato in het Okurahotel in Amsterdam. Het enige Japanse restaurant in Europa met een Michelinster. Paulien Cornelisse (40): „Heel even over het keuzeproces...” Zij mocht dus een lunchlocatie kiezen. Ze wist zo gauw niks. Iemand uit haar uitgeefteam opperde: ‘Yamazato natuurlijk, want jij hebt iets met Japan’ – dus dat koos ze. Zegt iemand anders uit het uitgeefteam: ‘Wát? Yamazato, weet je wel hoe duur dat is en hoe zoiets overkomt op lezers?’ Maar goed, nu zitten we er al. En dat ze iets heeft met Japan, dat klopt. Ze studeerde in 1998 zeven maanden in Hiroshima. Ze spreekt, leest en verstaat Japans nog een beetje.

Ter demonstratie pakt ze de menukaart. „Het Japans kent drie soorten schrift.” Hiragana (sierlijk lettergreepschrift), katakana (hoekig lettergreepschrift) en voor begrippen gebruiken Japanners Chinese karakters. Ze spelt de tekens op de cover van de menukaart. Yama en zato. „Hier staat dus: berg... en...nog iets.” Wat deed ze in Japan? „Ik ging er een psychologisch onderzoek doen. Ken je de Strooptaak?” Laat iemand het woord blauw schrijven in blauwe en in rode inkt en vraag hem dan de kleur van de letters te benoemen. Correspondeert de letterkleur niet met de inhoud van het woord, dan zegt iemand het vaker fout. „Ik dacht: in het Japans, met dat karakterschrift voor het begrip kleur, is dat misschien anders.” En? „Zoals altijd bij psychologisch onderzoek: er was meer onderzoek nodig.”

Ze concentreert zich op de twee menukaarten (er is een aparte kaart waarop alle sushi staan). De sushi gaan per stuk. Ze kiest er een met coquille. „Ben ik gek op.” En eentje met „vette tonijn”. En ze neemt – „Ben ik benieuwd naar hoe ze die hier maken.” – noedelsoep. Ze kijkt op. „Zal ik je helpen?” Ik wijs veilig aan wat zij koos. Die doen? „Nee, doe jij nou wat anders. Kunnen we delen.” En inderdaad zal ze straks, als een kraanvogel die een sappig algje uit het water vist, haar stokjes in mijn shokado bentobox steken. „Mag ik wat van die rauwkost proeven? Of nou ja, ik doe het al.” In ruil hengelt ze voor mij een glibberige noedelsliert uit haar kom. „Lekker?”

En waarom Japan? „Ik wilde er al heen sinds m’n zesde. We deden een project op school.” Een basisschool in Amsterdam. „In de klas hingen prenten van Utamaro...” Jawel, zegt ze. „Die ken je wél.” Ze pakt haar telefoon en googelt plaatjes van getekende dames in kimono. „Ik tekende ze zelf ook.” De juf gaf haar een Japanse naam. Emiko. „We hadden een jongetje in de klas die half Japans, half Amerikaans was. Zijn moeder, gek genoeg de Amerikaanse kant, maakte sushi voor de hele klas. Sushi was nog helemaal niet hip. Ik vond het heel vies.” Na de middelbare school studeerde ze eerst in Amerika en daarna in Amsterdam. Psychologie, net zoals haar ouders. En toen kwam Japan langs, als mogelijkheid. Een campus even buiten Hiroshima, een universiteit middenin de rijstvelden. „Studenten in Japan hebben heel veel vrij. Steeds dacht ik, huh, alweer vakantie? Tot de middelbare school is het leven voor Japanners hel. En als ze eenmaal werken weer. Alleen de vier jaar aan de universiteit kunnen ze los. Nemen ze ineens gekleurde lenzen, blonderen hun haar, luisteren heftige muziek.” Ze steekt een voet boven tafel. Een platte mannenschoen, bedrukt met figuurtjes. „Vinden Japanners heel mooi.”

Een downe zomer

Haar derde cabaretvoorstelling is net afgelopen. Haar derde boek is net uit. „Bij mij duurt alles drie jaar. Een nieuwe show, een nieuw boek.” Ik vraag hoe het allemaal zo gekomen is. „Mijn leven bedoel je?” Ja. „In 2006 had ik een beetje downe een zomer.” Ze was dertig. „Ik heb toen op een papiertje geschreven wat ik wilde doen met m’n leven.” Dat was 1: een voorstelling maken. En 2: schrijven over taal. „Best bijzonder dat ik dat ook precies zo ben gaan doen.”

Vóór die downe zomer was ze een van de comedians uit het gezelschap van Comedy Train en deed ze net als de anderen aan stand-up comedy. Niet echt haar ding. „Toch wilde ik wat doen met mijn gedachten en mijn stem. Maar niet zo kwetsbaar op een podium.” Ze sprak cassettebandjes in, met haar observaties over taal. Ze stuurde ze naar de Wereldomroep, die ze uitzond. Later kwamen de stukjes in NRC Handelsblad, daarna werden de stukjes boeken – Taal is zeg maar echt mijn ding en En dan nog iets. Allebei bestsellers. „Taal is mijn alibi. Het is mijn manier om te laten zien hoe mensen zich gedragen en doen.”

Haar laatste boek De verwarde cavia is geen taalboek. Ook geen roman. Zelf noemt ze het kantooravonturen. „Kantoren worden steeds belangrijker in fictie. De boekenserie Het bureau van Voskuil. Programma’s als The Office en Toren C. Vroeger was de familie of de streek vruchtbare grond voor intermenselijke relaties. Nu is de werkvloer het toneel van de onvermijdelijkheid. Aan je collega’s valt niet te ontsnappen. Mensen zitten met elkaar opgescheept – en in mijn boek met een cavia erbij.”

Wat weet zij nou van kantoren af? „Dat vergeten mensen vaak. Ik heb drie jaar op een redactie gewerkt.” Ze werkte bij het blad J/M. „Ik heb artikelen geschreven over eczeem en zo.” Ze heeft er ontslag genomen wegens migraine. Eén, soms twee keer per maand is ze 24 uur ziek. „Me steeds ziek melden, dat wilde ik niet. Dan maar liever voor mezelf werken.” Aha, zeg ik, dus die scène in haar boek, van Anne-Bet van de afdeling boekhouding die zich steeds afmeldt, die is geïnspireerd op eigen ervaringen? „Nee, nee. Zij is niet ziek, haar hónd heeft nierstenen.” Wat wel echt is, of bijna echt, is de scène waarin Cavia in het ziekenhuis is voor een endoscopie. Een darmonderzoek. „Die situatie heb ik zelf meegemaakt. Ik had alleen niks met m’n darmen. Ik had onrustige cellen in de baarmoederhals, maar ik vond dat te ingewikkeld om een cavia te laten meemaken.” Maar dat gesprekje met de verpleegster, een wonderlijke dialoog over het verschil tussen obstipatie en constipatie, dat moest erin. Mensen laten zich kennen door hoe ze praten, vindt zij. Reden ook waarom ze weinig boeken in het Nederlands leest. „Je merkt het zo als de auteur iemand iets laat zeggen dat niet klopt, Iets wat niet past bij de persoon of het karakter. In het Engels heb ik het niet in de gaten.”

Schrijven doet ze vaak bij de Coffee Company. Of er moet een bed in de buurt zijn, dan schrijft ze daar. Beetje onhandig met de computer, maar het gaat best. „Schrijf ik met de hand, dan krijg ik een vervelende stijl. Zaniken. Alsof het een dagboek is. Alsof ik word teruggeworpen in mijn puberteit.” Tegenwoordig maakt ze bij haar NRC-column tekeningen. Die doet ze wel eerst op papier. „Dat tekent het lekkerst.” Hand in haar tas, op zoek naar haar tekenschriftje dat ze altijd bij zich heeft, maar nu toevallig niet. Ze tekent haar eigen boekomslagen en affiches en verder al haar ideeën die niet in woorden te vangen zijn. „Ik hou van het kriebelige van tekenen. Ik hou van papier, van boeken, van aanraken.” Vandaar dat ze haar laatste boek zelf heeft uitgegeven. „Mijn boek voelt nu zoals ik wil dat het voelt.”

Kun je je voorstellen

De Japanse serveerster vragen of we nog wat wensen. We zeggen wat een van de personages in De verwarde cavia ook zegt: ‘Ik ben oké’. Vernederlandst Amerikaans. De zin zou zo in een van haar taalboeken kunnen. „Over een andere zin heb ik advies gevraagd.” Aan het Meertensinstituut, waar onderzoek wordt gedaan naar Nederlandse taal en cultuur. „De zin is: ‘Ik word er depressief van, kun je je voorstellen’. De redacteur, de corrector én de persklaarmaker veranderden dat steeds in: kun je je dat voorstellen. Ik hoor het heel vaak zonder dat. In het boek wordt het gezegd door een jonge, homoseksuele man, die oorspronkelijk uit Drenthe komt. Ik wilde weten of dat kon kloppen.” En? „De wetenschap weet het niet. Er lijkt sprake van een tweedeling. Maar dat kan niet gekoppeld worden aan een gebied of een sociale groep.”

Geen toetje, wel koffie. Erbij chocoladestaafjes, drie voor ieder. En een origami-gevouwen kraanvogel. Kan jij vast ook, gok ik. Gretig: „Zal ik iets voor je maken?” Ze scheurt een papiertje uit mijn opschrijfboekje en begint te vouwen. Ondertussen vertelt ze dat ze nu bezig is om van haar oude vestjes truitjes te maken voor Wiek, haar zoontje van anderhalf. Op YouTube leert ze hoe dat moet op de naaimachine. Ze vouwt verder en raadt een „fijne documentaire” aan – Jiro dreams of sushi over een 85-jarige sushikok. Ze blaast in haar papieren vouwsel, en kondigt aan dat ze op het Oerol-festival op Terschelling weer samen met haar vriend Chris Bajema een dagelijkse ochtendshow zal verzorgen, met voor elke gast een zelfgemaakte jingle. Dit jaar gaan haar ouders mee om op Wiek te passen, ook al heeft haar vader een hekel aan eilanden en haar moeder aan mensenmassa’s. En dan is het werkje klaar. Een piramide, jubel ik. „Een tetraëder,” verbetert ze. „Deze heeft drie zijden.” Vroeger kon ze nog véél meer maken, zegt ze. Alle voorbeelden uit het origamiboek. Ik ben natuurlijk, legt ze uit, een beetje een obsessief iemand.

    • Rinskje Koelewijn Foto Frank Ruiter