Het sterrendorp wil weer schitteren

Ouderkerk aan de Amstel was decennialang een gastronomisch bedevaartsoord. Het vertrek van topkok Ron Blaauw luidde aftakeling in. Nu is hij terug.

Illustratie Anne van Wieren

Vanaf het terras van ’t Jagershuis is het uitzicht onverminderd schitterend. De glanzende rivier die traag voorbij stroomt. Aan de overkant het historische dorp, de witte Kerkbrug. Alleen een verweerd metalen Michelin-bordje naast de entree herinnert nog aan de glorietijd van dit monumentale pand aan de Amstelzijde. Anno 2016 rafelen en rotten de blauwgroene luiken en in de panoramazaal, waar de afgelopen decennia tout de Amsterdamse zakenwereld lunchte en dineerde alsof na hen de zondvloed kwam, worden schildercursussen gegeven.

‘Ouderkerk aan de Amstel is geen hot spot meer’, concludeerde het Parool onlangs. Wat is er aan de hand met dit dorp, dat bekend stond als gastronomisch bedevaartsoord? Steeds meer restaurants sloten de afgelopen jaren hun deuren. De huren zouden te hoog zijn en de klandizie te klein. Op de ‘horecastrip’, het eerste stuk Amstelzijde, waaraan ook ’t Jagershuis ligt, is biefstukkentent Loetje de enige die nog goede zaken doet. Is Ouderkerk haar X-factor kwijt?

Er is hoop, maar daarover later. Eerst maar eens terug naar de golden years: pakweg de jaren 80 tot aan de kredietcrisis in 2008. Bankdirecteuren, makelaars, reclamejongens, iedereen die iets te verbrassen had, reed naar Ouderkerk aan de Amstel. Vanuit Amsterdam Zuid, Amstelveen en Buitenveldert ben er je zo. Aan de Amstelzijde – officieel ligt dit stukje kade in de gemeente Amstelveen, maar iedereen beschouwt het als Ouderkerk – zaten verschillende restaurants van naam.

Notoir was ook bistro Klein Paardenburg, waar Ton Fagel kookte (en later zijn broer Paul) en dat tot aan 1990 een Michelinster op de gevel droeg. Twee panden daarnaast zat dranklokaal Piet Raak, waar het goed doorzakken was na een copieuze lunch en dat weer met een klein tussendeurtje verbonden aan het eveneens populaire eetcafé ’t Deurtje.

Aan de rechteroever van de Amstel, zat vanaf 1999 restaurant Ron Blaauw. Twee piepkleine belendende huisjes in de Kerstraat. Na vijf jaar in ’t Jagershuis gekookt te hebben, begon Blaauw hier voor zichzelf. In 2004 ontving hij zijn eerste Michelinster. In 2006 volgde een tweede. En dan was er nog Peter Lute, die in 2002 restaurant Lute opende in een voormalige kruitfabriek op nog geen kilometer afstand van Ouderkerk. Lute kreeg nooit een ster, maar bouwde wel een goede reputatie op.

Kortom, Ouderkerk stond decennialang met een grote stip op de culinaire kaart. Een walhalla van ganzenlever en champagne. Gasten die toeterlam in de Amstel sprongen. Zakenlui die doordeweeks met relaties kwamen eten en de duurste wijnen bestelden (om dan in het weekeinde terug te keren met hun schoonmoeder voor een flesje huiswijn). Toeristen die slechts een kopje koffie wilden drinken konden wel fluiten naar een terrastafeltje aan het water. Die plekken waren gereserveerd voor de vaste clientèle, de big spenders.

In de versukkeling

Maar dan, in 2011, raakt de plaatselijke horeca in de versukkeling. Het begint met het vertrek van Ron Blaauw, die in dat jaar zijn restaurant in de Kerkstraat naar de Sophialaan in Amsterdam verhuist. „We groeiden uit ons jasje,” aldus de chef. Waar zijn gasten in de begintijd zeiden: ‘Ja, het is klein, maar je kookt zo lekker’, begonnen ze sinds die Michelinsterren te klagen: ‘Je kookt geweldig, maar het is hier zo krap.’

Blaauw: „Ik had ook voor een groter pand in Ouderkerk kunnen kiezen, maar dat was er niet. En bovendien kreeg ik het er benauwd. Toen ik twee sterren had, begonnen veel restaurants in de buurt een beetje Ron Blaauw te spelen. Gingen ze ook vijf amuses serveren en zes gangen. Ik wilde juist iets anders gaan doen, maar dat is lastig in zo’n klein dorp. Je hebt nu eenmaal een reputatie, gasten hebben bepaalde verwachtingen.”

Twee sterren minder betekent een aderlating voor Ouderkerk. Vooral op de horecastrip is dat merkbaar. Er volgt een periode van veel verloop en sommige panden staan tijdenlang leeg. In januari 2015 brandt het oude pand van Paardenburg af. Niet dat daar nog sterren van de hemel werden gekookt; de laatste jaren zat er een vestiging van tapasketen La Cubanita. Maar het gapende gat dat achterbleef is geen aangenaam gezicht. Als in de zomer van 2015 dan ook nog eens ’t Jagershuis failliet gaat en begin 2016 zelfs ’t Deurtje de handdoek in de ring gooit, wordt het wel heel rustig aan de ooit zo levendige Amstelzijde.

Met lede ogen

Mieke Blankers-Kasbergen, burgemeester van gemeente Ouderamstel, zag de teloorgang van haar dorp als culinaire trekpleister met lede ogen aan. Ze heeft nog meegemaakt dat Blaauw zijn tweede ster kreeg. Zijn vertrek deed pijn. Net als de leegstand. „Dat is natuurlijk vreselijk voor een dorp als dit,” zegt ze. „In onze toeristische visie vormt het culinaire een speerpunt. Je kunt hier nog steeds fantastisch eten, maar er is op dit moment veel te weinig diversiteit in het aanbod.”

Dat laatste klopt in elk geval. Er zit een Italiaan (Napa) en een Thais-Indiaas restaurant (Twist), voor fine dining kun je naar Jaimie van Heije – een pupil van Blaauw – of Peter Lute, maar verder is er vooral veel van hetzelfde. Prijzige middenklasserestaurants met carpaccio en gegrilde kalfsribeye op de kaart. Variatie, vernieuwing en originaliteit zijn ver te zoeken. Is dat de reden waarom niemand meer van Amsterdam naar Ouderkerk rijdt om er te eten?

Gevraagd naar commentaar op zijn sluiting zei Jeroen Ellermeijer, eigenaar van ’t Deurtje, begin dit jaar tegen het Parool: „In Amsterdam gebeurt zoveel. Tegen die aantrekkingskracht hebben wij het moeten afleggen.” Ligt het inderdaad aan concurrentie uit de grote stad, waar gemiddeld vier nieuwe eetgelegenheden per week openen?

„Onzin”, reageert Ron Blaauw. De chef, die met zijn gezin nog steeds in Ouderkerk woont, vindt net als de burgemeester dat het restaurant-aanbod in het dorp te eenzijdig is. En ook te weinig van deze tijd. „Kijk, in de horeca gaat t net als met spijkerbroeken. Die zijn in 1979 in, daarna een hele tijd uit, en in 1990 weer in. Als ondernemer moet je luisteren naar je gasten en jezelf blijven ontwikkelen. Sinds de kredietcrisis willen mensen niet meer vier uur aan tafel zitten in een stijve zaak. Ze willen gewoon ontspannen een hapje eten en na anderhalf uur weer naar huis.”

Zou het tij voor het voormalig culinair paradijs nog kunnen keren? Zoals beloofd, er is hoop. Om de horecastrip een zetje in de rug te geven, werd vorig jaar van gemeentewege de gehele kade vernieuwd. Ook liggen er plannen klaar voor extra parkeerplekken. Behalve bij Loetje, dat een groot eigen terrein heeft, wordt parkeerruimte aan de Amstelzijde node gemist. Maar misschien nog wel hoopgevender: Ron Blaauw is terug.

Op nog geen 100 meter van ’t Jagershuis, de plek waar hij van 1994 tot 1999 achter de kachel stond, opende hij vorige maand Ron’s Gastrobar Indonesia. In het voormalige ’t Deurtje serveert hij fusion-Aziatische gerechten, een klassieke Indonesische rijsttafel, maar ook een simpel bordje saté. „Ik ga als ik een zaak open altijd uit van mezelf. Wanneer ik doordeweeks gewoon even een hapje wilde eten met mijn vrouw en kind kon ik alleen naar Loetje. Maar ja, je wilt ook weleens iets anders dan een biefstuk met friet.”

Blaauw gelooft nog steeds in zijn woonplaats. „De aantrekkingskracht van Ouderkerk zal altijd blijven bestaan. Iedereen vindt het fijn om net even buiten de stad een oase te vinden, een plek waar je lekker buiten kunt zijn. Op een zomerse dag is het nog steeds fantastisch aan de Amstel. Dan is het hier stikdruk met fietsers en boten en al die mensen willen toch iets eten.”

Een gerenommeerde chef die vertrouwen heeft in de toekomst van het dorp, dat kan een vliegwieleffect hebben. Een impuls voor andere ondernemers. Blaauw ziet het wel zitten: „Ik hoor in de wandelgangen al over ideeën voor een wijnbar met hapjes. En er zou ook best een goeie sushitent bij kunnen, of iets met health food. Echt, je kunt hier nog prima geld verdienen.”

    • Janneke Vreugdenhil illustratie Anne van Wieren