Zware woorden

Elke eeuw krijgt de Reynaert die ze verdient. Vandaar dat A.H.J. Dautzenberg in dit feuilleton met zijn 21ste-eeuwse versie van ‘Van Den Vos Reynaerde’ komt.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Ik heb het gevoel dat ik u nog te weinig over het land heb verteld. Aan de ene kant moet ik mij daarvoor verontschuldigen, want u hebt als lezer recht op licht en vrijheid – althans, dat is u beloofd. Aan de andere kant: gebruik eens uw fantasie, u hebt er de leeftijd voor.

De Wildernis ligt er mooi bij in de ochtendzon en het luidruchtige leven in de stad heeft ook zo zijn charmes. De vinexwijk kent u natuurlijk als geen ander, dus u begrijpt de verstopzucht van De Vos.

Over de vreemde invloeden kan en wil ik voorlopig niets kwijt. De signalen die ik daarover krijg zijn mij te gekleurd, als ik zo vrij mag zijn. Wat voor de een ‘vreemd’ is, is voor de ander ‘avontuurlijk’. Ja, ook ik zie in de Wildernis onrust ontstaan, maar wat precies de oorzaak is, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Ik ben geen journalist, complottist of wetenschapper. En nu terug naar het verhaal, want metaverhandelingen zijn uit de mode, het leven moet klein en knus blijven.

De Kat staat voor de deur van het appartement van De Vos en belt aan. Schichtig loopt De Vos naar de deur. Door het kijkgat ziet hij De Kat staan. Die belt opnieuw aan en bonkt op de deur. Misschien is er iets ernstigs gebeurd, denkt De Vos. Mijn zoontjes? Hij opent voorzichtig de deur, maar verwijdert de beveiligingsketting niet.

„Ik zal het kort houden, De Vos. De Leeuw verzoekt je dringend om te komen. Er is haast geboden, want de Wildernis is op drift geraakt. Hij heeft je hulp nodig. En hij betaalt goed.” De Vos schrikt van de zware woorden – dringend verzoeken, haast geboden, op drift – en gooit de deur snel dicht. De Kat belt opnieuw aan. En nog eens. Pas na een paar minuten stopt hij.

De Vos loopt naar het raam. Hij staart door zijn verrekijker naar de Wildernis, maar hij ziet niets bijzonders. Ik zou het eigenlijk moeten toejuichen dat de Wildernis op drift is, denkt De Vos, anarchie was mijn lust en mijn leven. Hij schrikt van zijn oubollige woordkeus: lust en leven. Hij is het kwijt, de jolige jeu waarmee hij zijn daden op smaak bracht, de ra-ta-ta.

Het begint te regenen, de lente zet niet door. Dikke druppels botsen tegen de ruit, proberen zich vast te zuigen, maar door hun gewicht glijden ze naar beneden – eerst nog traag, slepend, maar gaandeweg met een flinke roetsj. De Vos besluit een tijdje naar de glijdende druppels te staren, maar de leegte openbaart zich niet.

De Vos gaat weer achter zijn bureau zitten en denkt na. De Leeuw kent mijn situatie, recapituleert hij. Hij wil mij gebruiken, want hij weet dat ik geld nodig heb. Misschien moet ik kookboeken gaan schrijven. De lekkerste wildgerechten? Of als imageconsultant stijladviezen geven in de krant – Birkenstock in het bos? Misschien moet ik stukjes schrijven over mijn stukgelopen relatie – human interest, dat vinden de lezers leuk.

De Vos staart naar de foto van zijn vrouw en zijn kinderen. Wat kijken ze lekker gemeen.

Wordt vervolgd

    • Anton Dautzenberg