Wat is een held volgens Tolkien?

organiseert morgen een wetenschappelijk congres over J.R.R. Tolkien. ‘Hij was helemaal geen verteller. Volgens zijn studenten sprak hij in voetnoten.’

J.R.R. Tolkien is wereldberoemd geworden als auteur van de succesvol verfilmde romans In de ban van de ring en De hobbit. In het dagelijks leven was hij hoogleraar middeleeuws Engels in Oxford, tussen 1925 en 1959, toen hij ook zijn bekendste boeken schreef. Zijn wetenschappelijke bezigheden zijn op allerlei manieren van invloed geweest op de boeken waar hij zo beroemd mee is geworden.

Morgen wordt daarover in Leiden een internationaal wetenschappelijk congres gehouden, met achttien sprekers uit negen verschillende landen. Thijs Porck van de Universiteit van Leiden, zelf ook gespecialiseerd in middeleeuws Engels, organiseert het congres samen met het Tolkien Genootschap Unquendor. Volgens Porck is een van de geheimen van Tolkien dat hij een geheel eigen wereld schiep, maar die wereld voor een groot deel baseerde op bestaand materiaal: allerlei thema’s, motieven, verteltechnieken en woorden uit het verleden. Waardoor die wereld ondanks alle verzinsels op ons toch overkomt als een heel ‘echte’ wereld.

Tolkien was lang hoogleraar. Veel wetenschappelijke teksten heeft hij toch niet geschreven?

„Tolkien heeft iets van dertig artikelen gepubliceerd. Als een hoogleraar tegenwoordig zo weinig zou produceren, zou hij vroeg of laat wel de laan uit worden gestuurd. Maar in die tijd lag dat anders. Tolkien gaf vooral veel college.”

Je hebt van die hoogleraren die echt vertellers zijn. Was hij ook zo iemand?

„Nee, helemaal niet. Zijn studenten zeiden dat hij in voetnoten sprak. Hij kon helemaal opgaan in details. Zoals de geschiedenis van een woord: waar het vandaan kwam, in welke teksten het werd gebruikt, wat voor nuances je kon geven aan de betekenis, en hoe dat woord zich verhield tot woorden in andere talen.”

Vind je dat terug in zijn fictie?

„Je ziet dat hij in zijn romans oplossingen bedenkt voor problemen die hij in Oudengelse teksten tegenkwam. Bijvoorbeeld het Oudengelse woord ent. Dat betekent: reus. Maar wat voor reus is dat? Dat weten we niet. Tolkien verzint dan de enten die we nu kennen uit zijn boeken: grote bomen die kunnen bewegen en praten.

„Een ander Oudengels woord is wearg, dat betekent zowel wolf als crimineel. Tolkien combineert dat met elkaar, hij maakt daar criminele, kwaadaardige wolven van: de wargs.

„Dat soort dingen zie je bij hem vaak gebeuren: er is iets raadselachtigs in een Oudengelse tekst, we weten niet precies wat het betekent, en dat vult hij dan in zijn romans verder in.”

Tolkien hield van Oudengelse heldendichten, maar voelde zich juist ongemakkelijk bij het heldendom dat erin bejubeld werd.

„Ja. Een van zijn bekendste wetenschappelijke artikelen gaat daarover. Dat heet The Homecoming of Beorhtnoth. Een merkwaardige publicatie. Het gaat over een Oudengels gedicht, The Battle of Maldon, over een veldslag in het jaar 991. Dat mist een einde. Tolkien geeft dan een door hemzelf geschreven mogelijk einde van dat gedicht, en daarin verwerkt hij onder andere een visie op heldendom: wat is een held? Moet je een held zijn? En op wat voor manier dan, in Angelsaksisch Engeland? Die Tolkientekst is ook heel invloedrijk geweest.”

Wat is daar wetenschappelijk aan?

„Hij liet daar een klein essay aan voorafgaan, en een klein essay op volgen. Dat alles bij elkaar werd gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift, en zodoende heeft dat een invloed gehad op de wetenschappelijke benadering van het Oudengelse begrip ofermod (overmoed) dat een centrale rol speelt in het gedicht.

„Heldendom was voor Tolkien een problematisch begrip. Daar zal het opkomende fascisme van die tijd niet vreemd aan geweest zijn. Hij vond het bijvoorbeeld vervelend dat de nazi’s de Germaanse dingen waar hij zoveel van hield, gebruikten in hun propaganda. Wat hij vervolgens in zijn literaire werk doet is: helden beschrijven die heel dapper zijn, en ook loyaal, maar niet zo extreem heldhaftig als de helden in Oudengelse gedichten als Beowulf en The Battle of Maldon.

„In die Oudgermaanse poëzie zijn de helden geobsedeerd met roem: ze willen heel dapper zijn, tegen het suïcidale aan, ze willen altijd blijven strijden, ook al is hun heer dood en gaan ze zeker weten verliezen. Tolkien introduceert in zijn boeken een nieuw soort held die helemaal niet geeft om roem. Aragorn, bijvoorbeeld, líjkt een middeleeuwse held, maar hij geeft helemaal niks om lof of roem. De helden van Tolkien zijn loyaal, maar niet suïcidaal. Als Gandalf op gegeven moment zegt: ren weg, dan rennen ze heel hard weg. In een Oudgermaans heldendicht zouden ze dan juist door blijven vechten.”

Tolkien las niet alleen al het Oudengels dat los en vast zat. Hij kon ook uitstekend schrijven in het Oudengels.

„Ja, er zijn personages in zijn boeken die Oudengels spreken. En in het postuum verschenen The history of Middle-earth, een verzameling van eerste probeersels en eerste schetsen, zijn sommige teksten ook helemaal in het Oudengels geschreven.”

Zijn er veel mensen die in het Oudengels kunnen schrijven?

„Steeds minder! In Tolkiens tijd was het vooral Spielerei van wetenschappers onder elkaar. Tolkien schreef liedjes in het Oudengels, raadsels, verhalen, drankliederen. En verschillende gedichten in In de ban van de ring zijn dan wel niet in het Oudengels geschreven maar wel volgens de dichtregels van het Oudengels, met alliteratie en een cesuur in het midden van de regels.”

Dat is allemaal leuk om te weten. Maar wat voegt het toe aan hoe we naar ‘In de ban van de ring’ kijken?

„We hebben hier een auteur die ongelofelijk populair is en die een hele eigen wereld schept. Een van de vragen die dan opkomt is: hoe doet hij dat, wat gebruikt hij, waarom voelt die wereld zo echt aan? Een van de redenen is: omdat die wereld ten dele ook ‘echt’ is. Omdat de talen die erin gesproken worden gebaseerd zijn op bestaande talen. Omdat er allerlei andere bestaande en herkenbare dingen in zitten. Omdat het gebruik maakt van dingen die vroeger, in de middeleeuwen, ook al populair waren en die blijkbaar nog steeds werken.

„Sommige verhaaltechnieken bijvoorbeeld. Het Oudengelse heldendicht Beowulf zit vol verwijzingen naar dingen die gebeurd zijn of gaan gebeuren – veel flashforwards en veel flashbacks. Dat geeft een soort diepte aan dat gedicht.

„Je ziet dat Tolkien in In de ban van de ring precies hetzelfde doet: hij creëert de illusie van een echte wereld door steeds weer te verwijzen naar een ver verleden in die wereld, naar een „Eerste Eeuw” bijvoorbeeld. Allerlei verwijzingen die niet of maar half uitgelegd worden, net als in Beowulf. Zo geeft Tolkien diepte aan zijn verhaal.”

    • Berthold van Maris Foto Merlijn Doomernik