Te gast op een excentriek eiland

Buitenstaander

Wat de Europese Unie nooit kon veranderen: aan de overkant van het Kanaal ligt nog steeds een eiland met vreemde gewoonten en excentrieke inboorlingen. We denken dat we hun taal spreken, maar wie er een tijdje woont ontdekt dat dat een vergissing is. Zeven NRC-correspondenten blikken terug op hun tijd in Londen.

Illustratie Wasco

Wout Woltz, correspondent 1975-1983

A splendid idea

“Begin 1975 besloot de verse correspondent in Londen om mevrouw Thatcher te interviewen. De persman in Downing Street 10 vond het „a splendid idea”. „The prime minister will be delighted, but her schedule is rather tight. Can I come back to you?” Absoluut. Maar hij kwam niet terug. Nadat ik nog tweemaal had gebeld, bleef het idea splendid en het schema tight.

Foto door Vincent Mentzel
Foto door Vincent Mentzel

Vijf maanden later sprak ik op zijn Hollands tegen Mr Harris: „Als NRC Handelsblad niet belangrijk genoeg is, zeg dan gewoon: sorry, geen schijn van kans. Maar hou me niet aan het lijntje.” „Oh no, Mister Woltz , it really is an excellent idea, but..”

Japan in Londen.

Ik voelde me de afgezant van een nietig en onbelangrijk land omtrent Timboektoe. Ambassades werden op dezelfde rangordelijke manier behandeld; het establishment was simpelweg niet geïnteresseerd in Nederland, en ook niet erg in de rest van Europa.

Toch voelde ik mij geen buitenstaander. Wanneer je went aan vreemde eettijden (is het supper of dinner, en hoe laat?) en Engelse vrienden krijgt, zij het meestal doordat hij of zij met een Hollander getrouwd is, valt het wel mee.

Ook is het goed om de codes te leren. Toen een jonge vrouw mij aan een diner vertelde dat haar vader soldier en farmer was, bleek het te gaan om een driesterrengeneraal met een stately home en 40.000 acres grond. Waardoor ik mij in Londen niet buitenstaander maar permanent buitenlander voelde, waren de complimenten over het Engels. Iedere Nederlander die denkt dat Engels een gemakkelijke taal is, droomt. Je doet je best, maar steeds duiken er nieuwe woorden en uitdrukkingen op. Om dan jaar in jaar uit te horen dat je de taal perfect spreekt, zou aan vernedering grenzen, als het compliment niet zo hoffelijk bedoeld ware.

Oh no, Mr Woltz, really excellent.”

Marc Chavannes, correspondent 1983-1987

Rauw Brittannië

Marc Chavannes

“Als voorwereldlijke krijgers stormden politiemannen te paard en met knotsen en vuurpotten gewapende stakers op elkaar af. De Grote Mijnwerkersstaking beheerste de winter van 1984/’85.

Ik overnachtte bij een stakersgezin in de mistige Rhondda Valley. Malcolm, Gwen en hun dochter Marywynne leefden van steenkool. Zij wisten: als hun mijn, de Maerdy, zou sluiten, dan was het gedaan met het leven zoals zij dat kenden.

Om half vijf ging de wekker. Een kop hete melk met thee. Een uur in de auto naar de picket line. Voor de ingang branden de vuurtjes al. Frisgeknipte bobbies, net zo moe als het legioen ongeschoren kompels. Wachten op stakingsbrekers, scabs. Gejoel als een auto met werkwilligen erlangs wil. Ze keren om. Het enige succesje van de dag.

Zuid-Wales beleefde zijn laatste hoofdstuk als steenkolengebied. Net als Yorkshire. Margaret Thatcher rekende definitief af met Arthur Scargill en zijn National Union of Mineworkers. En eigenlijk met de hele vakbeweging.

De tomeloze hartstocht waarmee die strijd werd gevoerd, van beide kanten, fascineerde. Voor ‘om de tafel gaan zitten’ weet ik geen Engelse vertaling.

Zo was het ook met de privatiseringsgolf die in diezelfde tijd op tempo kwam. British Telecom, British Airways, de auto-industrie, de bussen, banken, werven – het leidde tot een euforie van volkskapitalisme die in Nederland ongekend was en is.

Het leed van de mijnwerkers werd de grond in gestampt door jonge beurshandelaren en bankiers. Champagnelunches in de City, open Porsches die geen kant op konden in de nauwe straten van Londen.

De rauwe confrontatie van socialistisch en kapitalistisch eigen gelijk. In het land met de liefste vrijwilligerscakejes van Europa. Al zou ik het gewild hebben, dáár hoorde ik niet bij.”

Hieke Jippes, correspondent 1987-1994

Quick! The gravy!

Hieke

“Toen in mijn dorp iets ten zuiden van de grote ringweg om Londen een bouwvakker kwam wonen, waren de buren zo ontzet over zijn gedrag – met het raam van de badkamer open in zijn hemd staan scheren en luid en riekend barbecuen tot laat in de avond – dat de doyenne van de plaatselijke sjiek zei: ,,Don’t worry, girls! We’ll freeze him out.”

Sociale vernedering is een instrument dat diep snijdt en dat de Britten met verve hanteren. Dat leerde ik al toen ik als au pair in het gezin van professor Robert Blake en diens vrouw Patricia het Oxford-milieu binnentrad. Hugh Trevor Roper kwam op bezoek. En Randolph Churchill. En Anthony Eden. Ik mocht de karaf met sherry binnenbrengen. „This is Hieke. She is Dutch.” En dan snel uit het zicht om vanuit de keuken ,,Quick! The gravy!” door het luik richting dining room te schuiven.

Ik werkte van ’s morgens zes (scheerwater koken voor de professor, kinderen klaarmaken voor school en poepluiers van de vierjarige legen in het toilet en dan in Patricia’s bad te weken leggen) tot ’s avonds elf (afwassen na de dinner parties). Na drie maanden veranderde ik van gezin. Toen ik opzei, was Patricia woest en gaf me twee weken geen eten meer.

Als correspondent kwam ik de professor jaren later bij een officiële gelegenheid in Oxford voor het eerst weer tegen. Hij herkende me niet. Toen het daagde zei hij: „Hieke! What a pity! Patricia would have been delíghted to see you!””

Dick Wittenberg, correspondent 1984-1998

Alsof bevallen zo simpel is!

Dick Wittenberg

“‘Thuis bevallen? U wilt thuis bevallen?” De arts van de National Health Service doet geen moeite om zijn afgrijzen te verbergen. „En als er complicaties zijn? Hoe komt u dan nog tijdig in het ziekenhuis? Wat zegt u?” Vertwijfeld gooit hij zijn armen omhoog. „U heeft niet eens een auto?”

Tegen het advies van de huisarts – hij noemt ons nog net niet ‘misdadig’ – zoeken we contact met vroedvrouw Grace, een goedlachse Jamaicaanse, die ons handenwrijvend binnenhaalt. Ze doet gemiddeld zeven bevallingen per jaar, vertelt ze. De laatste dateert alweer van drie maanden geleden. Dat stelt niet meteen gerust.

Ook sommige hulpmiddelen die we in huis moeten halen voor de bevalling, alarmeren ons. Bovenaan een lange lijst met navelbandjes, kinderbadje, handdoeken, enzovoort staat: landbouwplastic, veertig vierkante meter. Waarvoor dat nodig is? Om vloer en meubels in de slaapkamer te bedekken, zegt Grace, alsof dat vanzelf spreekt. Kennelijk bereiden we ons op een bloedbad voor.

De National Health Service heeft nog nooit gehoord van een baarkruk, dus heeft mijn vrouw er zelf maar één geïmproviseerd: een plastic wasmand waarvan de rand met zachte handdoeken is bedekt. Bij de tweede perswee schreeuwt ze dat de baby komt. Grace moet daar onbedaarlijk om lachen. Alsof bevallen zo simpel is. Mijn vrouw kan het kind nog net opvangen, voordat het in de wasmand verdwijnt.

Een paar dagen later wagen moeder en zoon zich voor het eerst op straat. Er is een kind geboren. Niemand die het ziet.”

Hans Steketee, correspondent 1998-2005

Door de spiegel naar Groot-Verbazië

Hans Steketee

“Het is een kenmerk van eilandbewoners dat ze zich beter voelen dan de rest van de wereld. Tegelijkertijd boezemt diezelfde wereld hun angst in. Als bezoeker van buiten kun je je dan dubbel onwelkom voelen. Nu ja, onwelkom, ‘anders’. Heel erg niet van hier. Soms lijkt de hele Britse samenleving er zelfs op ingericht niet-Britten in dat gevoel te sterken.

Je hoort wel eens dat ze een achterhoedegevecht voeren. Dat ze een gewoon, middelgroot Europees land zijn geworden nu hun rare maten – voeten, ellen, duimen, pinten, gallons en graden Fahrenheit – uitsterven en Europa overal een voet tussen de deur heeft. Daar is niets van waar.

Ze blijven in geheimtaal spreken. „Absoluut!” zeggen als ze „Absoluut niet!” bedoelen. „Use your loaf”, dat „Gebruik je hoofd” betekent. ‘Loaf’ is kort voor ‘loaf of bread’, rijmt op ‘head’. Logisch.

Onder het vernis van de beleefdheid sluimeren vulkanen. Land van stiff upper lips én hooligans.

Ze doen sporten die niemand begrijpt, van cricket tot kaasrollen. Wie de weg vraagt, verdwaalt gegarandeerd. „Rechtdoor bij de eik en dan links waar vroeger het postkantoor stond.”

Het is 25 mijl van Calais naar Dover, maar daar begint een compleet ander universum. Door de spiegel stap je Groot Verbazië binnen. Het knappe van de Britten is dat ze je het gevoel geven dat het aan jou ligt. Dat niet zij exotisch zijn, maar jij.

In ons Londense huis weigerde het warm water vaak dienst. Daar was een oplossing voor, bleek: op een ladder klimmen, ergens een luikje openen en dan aan een roestig kettinkje trekken. Maar vooral niet te hard. We vroegen de huisbaas of dat wellicht eindelijk eens goed geregeld kon worden. Haar antwoord: „Ik begrijp echt niet waarom jullie foreigners de hele tijd moeten douchen.””

Floris van Straaten, correspondent 2005-2010

Een spontaan eerbetoon

Foto: Hilko Visser / NRC

Foto: Hilko Visser / NRC

“De klokken van de St Bartholomew in Wootton Bassett beierden ten teken dat de lijkwagen van de pas in Afghanistan gesneuvelde korporaal Adam Drane (23) naderde. Langs de hoofdstraat van het Zuid-Engelse plaatsje met zijn vakwerkhuizen vormde zich die ijskoude decembermiddag in 2009 – zoals tientallen keren in de twee jaar daarvoor – een mensenhaag. Niet alleen familieleden, ook willekeurige winkeliers, klanten en pubbezoekers die de militair in de motregen de laatste eer kwamen bewijzen. Sommigen gooiden rozen naar de auto, enkele veteranen salueerden.

Het korte maar indrukwekkende eerbetoon begon in 2007 min of meer toevallig. De lichamen van gesneuvelde militairen arriveerden op een naburige luchtmachtbasis, van waar ze voor pathologisch onderzoek naar Oxford moesten. De eerste plaats op de route is Wootton Bassett. Een handjevol lokale veteranen en andere bewoners besloot daarop spontaan in stilte langs de weg hun respect te tonen aan de dode militairen. Het ontwikkelde zich tot een vast ritueel. Honderden, soms duizenden mensen, ook van elders, deden er aan mee.

Het tafereel trof me als zeer Brits. Niet alleen wegens de door en door Engelse entourage, het getuigde van een respect, zelfs bewondering, voor de strijdkrachten en de offers die zij brengen dat de meeste Nederlanders vreemd is. Op een carrière in het leger wordt niet neergekeken. Veel families leveren al generaties lang militairen, ook officieren, en zijn daar trots op.

Ook de hang naar rituelen ervoer ik als heel Brits. Je doet iets samen, volgens een vast patroon, zonder dat je al te intiem hoeft te worden. God forbid, no! In 2011 kwam er een eind aan dit ritueel doordat de route werd verlegd. Omdat het een snaar in de natie had geraakt mocht Wootton Bassett zich voortaan wel ‘royal’ noemen. Britser kan ook dat niet.”

Titia Ketelaar, correspondent 2010-heden

Niet klagen, dit is juist charmant

Titia Ketelaar

Wat dit land zo charmant maakt, is op gezette tijden precies wat me horendol maakt. Waarom toch die voorliefde voor wat verouderd is? Toegegeven, het maakt dit land o zo aangenaam met zijn scheve cottages en oude landhuizen. Maar de Britten – Engelsen – lijken vernieuwing ook als een uitspatting te zien. Er is een weerzin te breken met traditie, zelfs als het betekent dat je de geneugten des levens (dubbele beglazing!) kunt omarmen. Want waarom zou je iets veranderen dat in de Victoriaanse tijd of lang daarvoor nog prima werkte?

Mijn eerste baan was in een oude pastorie, waar ik leerde koken op een Aga, een kachelfornuis, waarboven de was hing te drogen. De ramen konden niet dicht, maar dat gaf niets volgens de familie want zo konden de honden – en kippen – naar binnen. Ik vond het prachtig. Maar ik was vijftien. En het was zomer.

Nu heb ik zes winters doorgebracht in een huis zonder zonder isolatie, en met kieren tussen de prachtige schuiframen. Ik heb geworsteld met de raampjes in treindeuren, die naar beneden moeten worden geschoven, zodat je van binnenuit de buitendeurkruk kunt vastpakken om de deur te openen. Gezeten op doorgezakte banken en geslapen op oude matrassen die best vervangen hadden kunnen worden. Make-do-and-mend heeft zijn grenzen. Dit zal ik overigens nooit aan een Engelsman vertellen. Engelsen scheppen er heimelijk plezier in te klagen over ’s lands tekortkomingen. Maar o wee als jij er als buitenstaander aan meedoet.