Rijk van voortgang en vernieuwing

Zelfs in zijn nadagen was Oostenrijk-Hongarije niet ‘de zieke man van Europa’ maar een vitale veelvolkerenstaat.

Tot voor kort stond het Habsburgse Rijk bekend als als een autocratisch geregeerd imperium dat in het begin van de 20ste eeuw een tot ondergang gedoemde ‘gevangenis van de volkeren’ was geworden. Maar sinds een jaar of tien maakt de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, met leden van het Habsburgse huis als keizer en koning, een opmerkelijke rehabilitatie door.

Zo schildert de Australische historicus Christopher Clark in Slaapwandelaars, zijn spraakmakende studie (2012) over het begin van de Eerste Wereldoorlog, het keizerrijk juist af als een bloeiende monarchie. „De economische groei in Oostenrijk-Hongarije was hoog in de jaren vóór 1914 en sommige regio’s, zoals Tsjechië, industrialiseerden in hoog tempo”, zo lichtte Clark in een interview in 2014 zijn positieve beeld van het Habsburgse Rijk toe. „Het verhaal van Oostenrijk als de zieke man van Europa is in het leven geroepen door tegenstanders, en dan vooral door de Russen. Hiermee wilden ze duidelijk maken dat Oostenrijk tot het verleden behoorde; de toekomst was aan nieuwe, vitale staten als Servië. Deze opvatting was niet op feiten gebaseerd maar een ideologie die de internationale politiek van Rusland moest legitimeren.”

Een voorlopig maar moeilijk te overtreffen hoogtepunt in de herwaardering van Oostenrijk-Hongarije is The Habsburg Empire van de in Utrecht geboren historicus Pieter M. Judson, hoogleraar 19de- en 20ste-eeuwse geschiedenis aan het European University Institute in Florence. A new history is de ondertitel van zijn studie en in de inleiding legt hij uit waarom.

De geschiedenis van het Habsburgse Rijk, waarvan veel gebieden deel uitmaakten van het Heilige Roomse Rijk (zie Boekenpagina 10), is geschreven vanuit het perspectief van de natiestaat, de staatsvorm die na de Eerste Wereldoorlog in Europa een bloei zou doormaken, schrijft Judson. Vanuit dit perspectief was Oostenrijk-Hongarije, dat niet alleen Hongaren en Oostenrijkers als inwoners had maar ook Tsjechen, Slowaken, Polen, Roethenen, Slovenen, Italianen en nog zo wat volkeren, een mislukking. Maar wanneer het nationalistische perspectief wordt verlaten en het rijk van de Habsburgse keizers wordt beschouwd ‘op zijn eigen voorwaarden’, ontstaat een veel gunstiger beeld. Dan onderscheidt Oostenrijk-Hongarije zich juist ‘door de positieve manieren waarop het keizerrijk probeerde te bemiddelen tussen de culturele verschillen die een sleutelrol gingen spelen in het politieke leven en in de manieren waarop het poogde politieke en sociale instellingen rondom deze verschillen effectief te laten functioneren’, schrijft Judson aan het eind van zijn studie die gebukt gaat onder lange zinnen met een hoge informatiedichtheid.

Verlichte vorsten

Voor hij zijn gunstige oordeel over het Habsburgse Rijk velt, heeft Judson uitvoerig en gedetailleerd beschreven hoe de Habsburgers, die vanaf 1483 vrijwel altijd de keizers van het Heilige Roomse Rijk leverden, hun eigen rijk in de 18de eeuw uitbreidden met gebieden in Centraal- en Zuid-Europa waar nauwelijks of geen Duits werd gesproken. Na de verovering deden koningin Maria Theresia en haar opvolgers, verlichte vorsten als ze waren, pogingen om de uitbreidingen te ‘beschaven’. Hoewel de Habsburgers de Duitse cultuur als de meest hoogstaande beschouwden, kwam hun beschavingsoffensief volgens Judson toch niet neer op onderwerping en ‘germanisering’. In de nieuwe gebieden van hun rijk voerden de Habsburgers een rudimentaire vorm van de rechtsstaat in, met wetten waarin alle inwoners, ook de joodse, gelijke rechten kregen en ook andere geloven dan het rooms-katholieke werden erkend.

Uitgangspunt bij de hervormingen in de veroverde gebieden was het idee dat vrije boeren voor een efficiëntere landbouw en hogere voedselproductie zorgden. In Galicië werd de horigheid afgeschaft en probeerden de Oostenrijkse bureaucraten die naar de veroverde gebieden werden gestuurd, ook een einde te maken aan de robot, de praktijk dat boeren een aantal dagen per week moesten werken voor de adellijke grootgrondbezitters. Hierdoor werden de Oostenrijkse vorsten geliefd onder de boeren in de nieuwe delen van hun rijk en kwam het centrale Oostenrijkse gezag vaak in conflict met de oude landadel.

Na het einde van de Napoleontische oorlogen in 1814 volgde onder de conservatieve en machtige kanselier Metternich een periode van stagnatie en inperking van de burgerlijke vrijheden. Veel historici hebben Metternichs Oostenrijk afgeschilderd als een politiestaat met een verstikkende bureaucratie, maar daarvoor was de politiemacht te klein en de bureaucratie te welwillend, vindt Judson.

Lofzang

Na de Revolutie van 1848, die ook in Boedapest, Wenen en Praag gepaard ging met opstanden, werd het Habsburgse Rijk weer de dynamische veelvolkerenstaat die het in de achttiende eeuw was geworden, zo laat Judson op bijna uitputtende wijze zien. Vooral nadat het in 1867 een dubbelmonarchie was geworden en Franz Joseph behalve keizer van Oostenrijk ook koning van Hongarije was, werd het in hoog tempo een modern land. Judson besteedt veel aandacht aan de aanleg van spoorwegen tot in de uithoeken van het rijk en de vernieuwing van de steden door rioleringen, verharde straten, stadsverlichting en de bouw van theaters, scholen en openbare gebouwen. Zo kreeg in 1875 zelfs Czernowitz/Cernauti/Cernivi in het afgelegen Bukovina – Judson geeft altijd twee of drie namen voor steden in gebieden waar verschillende talen werden gesproken – een eigen universiteit.

Ook bestuurlijk volgde de ene vernieuwing op de andere. In de laatste decennia van zijn bestaan ontwikkelde het Habsburgse Rijk zich steeds meer tot een federale staat, waarin afzonderlijke ‘naties’ als Bohemen een eigen volksvertegenwoordiging hadden. Hierbij was voor keizer Franz-Joseph de gedachte leidend dat juist een centraal gezag de bloei van de ‘nationaliteiten’ mogelijk maakte. In zijn nawoord geeft Judson hem hierin gelijk als hij vaststelt dat de etnische minderheden na 1918 in de nieuwe Midden-Europese natiestaten minder ruimte kregen dan in de dubbelmonarchie. Eigenlijk waren ook alle nieuwe natiestaten veelvolkerenstaten maar dan wel repressiever dan het Habsburgse Rijk.

Zo is The Habsburg Empire van begin tot eind een ode. Soms zingt Judson zelfs zo uitbundig de lof op al het goede dat de Habsburgers de Midden-Europese volkeren brachten dat zijn betoog achterdochtig stemt. Hij stapt wel erg makkelijk heen over de duistere kanten van het Habsburgse Rijk. Het bloedige einde van de oorlog tussen Oostenrijk en Hongarije in 1848, waarbij Wenen de hulp van de Russische tsaar inriep, meldt hij bijvoorbeeld tussen neus en lippen door, hoewel het neerslaan van de opstanden in 1848 een belangrijke reden is waarom het Habsburgse Rijk bekend kwam te staan als ‘een gevangenis van de volkeren’. Aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wijdt hij zelfs nog minder woorden, zodat de lezer ten slotte blijft zitten met de vraag hoe het mogelijk is dat zo’n verlicht en bloeiend rijk uiteindelijk voor zijn eigen ondergang zorgde.

    • Bernard Hulsman