Reddeloze romanticus

Phil Lynott, zanger/bassist van de Ierse rockgroep Thin Lizzy, was een van de weinige zwarten in een wit muziekgenre. Hij zwolg in de Ierse folklore.

Het had allemaal heel anders kunnen lopen. Als bijvoorbeeld de organisatie van Live Aid, het in juli 1985 wereldwijd uitgezonden benefietconcert voor de hongersnood in Afrika, op het idee was gekomen om de Ierse hardrockband Thin Lizzy te vragen voor de gelegenheid weer bij elkaar te komen. Niet eens zo’n vergezocht idee: organisatoren Bob Geldof en Midge Ure waren goed bevriend met voormalig Thin Lizzy-zanger/bassist Philip Lynott. Misschien was het reünie-optreden net zo’n doorslaand succes geweest als dat van Queen.

Ure vraagt zich nog wel eens af waarom hij en Geldof niet eens op het idee zijn gekomen. ‘Was het omdat we Phil al hadden opgegeven?’, aldus een citaat in de uitstekende Lynott-biografie Cowboy Song van de Britse journalist en biograaf Graeme Thomson. Een half jaar later, begin 1986, stierf Lynott op 36-jarige leeftijd in een ziekenhuis – zijn lichaam was bezweken aan aandoeningen die voortkwamen uit jarenlang overmatig gebruik van onder meer cocaïne en heroïne.

Het is maar de vraag of een optreden op Live Aid hem er bovenop had geholpen: hij was er toen al slecht aan toe. Bovendien was het een beetje vroeg voor een Thin Lizzy-reünie, de band had nog maar een paar jaar daarvoor afscheid genomen met een uitgebreide tournee. De Ierse groep beleefde zijn artistieke en commerciële hoogtepunt midden jaren zeventig, met klassiekers als The Boys Are Back in Town, Dancing in the Moonlight (It’s Caught Me in Its Spotlight) en natuurlijk Cowboy Song. Maar tien jaar later was Lynott, als boegbeeld van de Ierse rock, voorbijgestreefd door Bono en klonk de seventiesmuziek van Thin Lizzy erg ouderwets.

Toch is hij niet vergeten, stelt Thomson vast. Een tentoonstelling over leven en werk van Phil Lynott trok vijf jaar geleden meer dan 100.000 bezoekers, er is een standbeeld voor hem opgericht in Dublin, een deel van zijn oeuvre heeft de tijd overleefd. Hij is een Ierse volksheld geworden.

Superhelden

Lynott is ook iemand die blijft intrigeren. Hij was één van de weinige zwarte zangers in een behoorlijk wit muziekgenre; hij zei zelf dat hij geen aanleg had voor het spelen van funk of reggae en zich in de eerste plaats een Ier voelde – daarna pas zwart. (Toen een vriend eens opmerkte dat Lynott ook niet zó zwart was, antwoordde hij: ‘Nou, ik kan niet zomaar in Zuid-Afrika gaan rondlopen.’) Hij is overigens geboren in Engeland, als kind van een Ierse vrouw en een man uit (toen nog) Brits-Guyana die een paar jaar na Philips geboorte uit zijn leven verdween.

Hij was een romanticus, die zwelgde in de heroïsche folklore van Ierland en in het Amerika van de cowboys, vagebonden en superhelden uit Marvel-stripboeken, maar hij las ook Camus, Sartre en James Joyce. Hij presenteerde zich graag als macho, als een man met wie niet te spotten viel, een stoere rocker, maar hij had ook aspiraties als dichter en was niet bang in diverse songs zijn gevoelige kant te laten horen. Die twee kanten van zijn persoonlijkheid komen samen in zijn schitterende stem, even krachtig als zachtaardig, even kwetsbaar als zelfverzekerd.

Hij kocht diverse huizen, maar was niet vaak thuis te vinden. ‘My home is where my heart is, and my heart is not at home’, zong hij eens. Hij was een charmeur, een womanizer die vrouwelijke verleiding niet kon weerstaan, ook niet als hij al een vaste relatie had; maar de gedachte dat zijn vriendin of vrouw hém ontrouw was, vond hij onverdraaglijk.

Charisma

Hij was ziekelijk jaloers, was een wildebras, die veel uitging, veel dronk en volgens vrienden ‘altijd high’ was. Tegelijkertijd was hij ambitieus, een harde werker die vrienden en collega-muzikanten verbaasde door ’s ochtends al vroeg uit de veren te zijn, zonder sporen van een kater.

Al op jonge leeftijd had Lynott een niet te missen charisma, maar het duurde even voor het succes kwam. In 1973 had hij met Thin Lizzy voor het eerst een hit, Whiskey in the Jar, een bewerking van een Ierse traditional. Maar de echte doorbraak kwam pas in 1976, met The Boys Are Back in Town. De groep werd dat jaar gekozen tot beste Nieuwkomer, terwijl ze al zeven albums had gemaakt.

Erg lang duurde het niet. Zowel Lynott als de andere groepsleden gingen veel te veel drugs gebruiken. De platen werden slechter, evenals de concerten. De afscheidstournee in 1983 trok nog volle zalen, maar daarna was het voorbij. Op Lynotts nieuwe band Grand Slam kwam nauwelijks nog publiek af.

Het hoofdstuk waarin Thomson de muzikale, persoonlijke en fysieke teloorgang beschrijft, is triest. Lynott was op een gegeven moment niet meer te redden.

    • Sietse Meijer