In de wereld van de dwalende meisjes

Emma Cline In haar naar de gewelddadige sekte rondom Charles Manson verwijzende debuut laat de Amerikaanse Emma Cline je de personages haast aanraken en ruiken, zo waarachtig zijn ze.

Emma Cline: ‘Haar romandebuut De meisjes is een onthutsende wordingsgeschiedenis’ Foto Megan Cline

Volwassen worden is ook zien hoe anderen volwassen zijn. In het debuut van de Amerikaanse Emma Cline (1989) merkt Evie Boyd, veertien jaar, op dat ze een ‘raar soort moederlijk gevoel’ voor haar eigen moeder koestert. Tegelijkertijd, doordat haar moeder zich na haar scheiding nogal onbeholpen en ostentatief opnieuw aan het uitvinden is, voelt Evie afkeer van haar. Wanneer ze in een park van het duffe plaatsje Marin County een groep prachtige, vrijgevochten meisjes ziet zitten is Evie verkocht: daar wil ze bij horen. Weg uit de gewone wereld ‘waar ze overhemden tot aan hun hals dichtknoopten, zodat het beetje liefde dat ze in zich hadden werd gesmoord’. Het is 1969, de jonge vrouwen blijken de smoezelige volgelingen van sekteleider Russell Hadrick, die doet denken aan de beruchte sekteleider Charles Manson. Ze stevenen af op een gruwelijke moordpartij die ze zelf veroorzaken.

De meisjes is veel meer dan een literaire invulling van het drama rond Manson en zijn ‘familiy’, hoewel Cline duidelijk inspiratie heeft gehaald uit het gebeurde. De charismatische Russell, zijn niet-ingeloste muzikale aspiraties (‘sentimentele meuk’ concludeert Evie met tegenzin), zijn horde volgelingen die voornamelijk bestaat uit ongelukkige meisjes, zijn rechterhand Guy; veel – maar niet alles – is terug te leiden naar de werkelijkheid. Maar vooral is De meisjes een onthutsende wordingsgeschiedenis, haast toevalligerwijs tegen de achtergrond van een onwerkelijke sektarische leefwereld, die daarmee ook als vergrootglas fungeert.

Die wordingsgeschiedenis krijgt glans doordat Evie zelf, op middelbare leeftijd, de kundige en geloofwaardige verstelstem heeft. De oude Evie past op het huis van een vriend, treft diens puberzoon daar met zijn pubervriendin en wordt tegen wil en dank haar eigen verleden in geslingerd. De jonge tortelduifjes weten van haar sektetijd, en zoals velen online gaan graven naar kleine details van de misdaad, graaft het meisje Sasha in Evie’s herinneringen. Ze wil alles weten, het meisje waar tegelijkertijd de ‘kosmische verveling’ en het verlangen naar liefde, gezien worden, vanaf straalt.

Moeder ‘draagt de crisis als een flatteuze nieuwe jas’, schrijft Cline

Ook Evie verlangde als veertienjarige naar liefde en bestaansrecht. En dat terwijl ze vanwege middelmatigheid naar een internaat gestuurd dreigde te worden. ‘De balans sloeg niet duidelijk door naar schoonheid of intelligentie’. concludeert ze achteraf, en wat moet je dan als meisje? Wachten tot je opgemerkt wordt, ja, ‘terwijl jongens die tijd gebruiken om zichzelf te worden’. Met een vriendin verliest ze zich in de rituelen van pubermeisjes. Roken in een plechtige broeikasstilte, zwelgen in zielige muziek, tips uit tienerbladen opvolgen alsof het wetten zijn. In een tijd dat alles intenser is, op zoek gaan naar nog meer intensiteit – die ze al vlug vindt in Suzan, een van de sekteleden voor wie ze valt als een blok. Evie’s moeder merkt dat haar dochter ontspoort en ‘draagt de crisis als een flatteuze nieuwe jas’. ‘Keurig netjes’, zo herinnert de vertelster zich, geweest te zijn voor ze bij hun buren inbrak, ‘als van die vissen die hun eigen aquarium schoonmaken’.

Het herinneren gebeurt in golven en vermengt zich met verklaringen en vragen. Wat is de woede die er in jonge vrouwen schuilt, dat ze zo ver kunnen gaan als het plegen van een brute moord? Is er wel een verschil tussen degenen die het mes hanteren en de toevallige achterblijvers? Het is een honger, aldus Evie, die de meisjes bond, en een wanhopige hang naar vrijheid en erkenning die ze dreef. Haar eigen rol in het geheel ontkent ze niet. Ze heeft het altijd bij zich gedragen, en trapt met open ogen in de stille belofte van loutering die het vertellen van zo’n verhaal met zich meedraagt.

Emma Cline is een waanzinnig goede schrijver. Je kunt de personages in de roman haast aanraken en ruiken, zo waarachtig zijn ze. De jonge vrouwen met hun sliertharen en vieze jurken, de broeierige Russell, de familieleden van Evie en vooral Evie zelf, zowel in haar jonge als latere jaren. En nergens schiet Cline uit de bocht door sensatiebelust proza af te leveren, of door Evie als eenzijdig slachtoffer of woedende mannenhaatster neer te zetten. De nuance, de sfeertekeningen en de geweldige zinnen vormen samen een virtuoze schets van de innerlijke wereld van dwalende meisjes, of die zich nu in 1969 of de jaren ’10 bewegen.

    • een onzer redacteuren