Hoogstraatproject NRC op Architectuur filmfestival

Volgende week is ook korte film te zien uit 1929

Het zijn hooguit glimpen van de Hoogstraat anno 1928 die we opvangen. Maar bij elkaar is het toch een kleine cultuurschat. Niet omdat de Hongaarse avantgarde-filmer Andor van Barsy de etalages zo kunstzinnig heeft gefilmd – al is dat zeker het geval. Nee, het belang van dit filmpje zit erin dat de cameraman keek naar wat mensen elke dag zien en daarom doorgaans de moeite van het vastleggen niet waard vinden: het alledaagse.

In de paar minuten dat het filmpje duurt zien we opgestapelde kazen, Puertoricaanse tabak, een bak pinda’s, een kind dat zeepbellen blaast uit een Goudse pijp, en vooral passanten. Mannen, vrouwen, kinderen. Op weg naar kantoor of fabriek, of naar een van de winkels natuurlijk. En iedereen die passeert draagt een hoofddeksel.

Kranten en televisie zijn geneigd tot het afwijkende. Historici willen juist het normale weten. Piet de Rooy is zo’n historicus die zich bezighield met wat in goed Duits Alltagsgeschichte heet.

De Rooy deed in het begin van zijn loopbaan onderzoek naar de crisis en de enorme werkloosheid in de jaren 30 van de vorige eeuw. Hij sprak steuntrekkers uit de stad die te werk waren gesteld in het Drentse veen. Hij vond brieven van klagers in het archief van het arbeidsbureau en las hoe de arbeiders hun handen insmeerden met vaseline zodat ze niet konden scheppen. Hoe ze potjes luizen meenamen om de barakken in Drenthe te besmetten.

Voor hem was deze vorm van geschiedschrijving niet ideologisch geladen, zoals bij sommigen in de jaren zeventig. Die wilden, zegt hij, „de geschiedenis teruggeven aan de mensen”. De Rooy had een andere ambitie. „Ik wilde proberen het gehele leven te begrijpen. Laag over laag schilderen.”

Door ooggetuigen te spreken kon hij informatie uit de schriftelijke bronnen aanvullen. Hij hoorde van de portier van het hoofdbureau van de maatschappelijke steun dat ‘steuntrekkers’ bij het vermoeden van fraude door een paar potige medewerkers werden meegenomen naar de kelder van het gebouw. Daar werden ze hardhandig verhoord. In het Algemeen Handelsblad van toen had hij berichten gevonden over steuntrekkers die zelfmoord pleegden. Laag over laag.

„Mensen”, zegt De Rooy, „zijn betekenisgevende dieren”. Hij wil maar zeggen dat het spreken met ooggetuigen – voor de meeste historici een zeldzame mogelijkheid, vandaar dat ze die vaak met argwaan bekijken – meer toevoegt dan alleen nieuwe feiten. Het geeft ook een menselijke kleur aan die feiten. Relativering. Ooggetuigen vertelden De Rooy: we hadden het ellendig in de jaren dertig en in de oorlog werd het beter. Huh? Beter? De historicus vroeg wat ze bedoelden. „In de oorlog hadden we allemáál niks”, zeiden ze.

Het filmpje van Von Barsy is uit 1929, het jaar dat de beurs zou instorten. Het jaar dat het ziekenhuis in de Hoogstraat vol lag met patiënten van de pokkenepidemie alastrim. Het jaar dat een bende valsemunters werd betrapt toen zij in een lunchroom in de Hoogstraat wilden afrekenen. Alle ellende van de crisis ligt nog in het verschiet. En het bombardement daar nog voorbij.

    • Bas Blokker