Opinie

    • Jutta Chorus

De weduwe van de ontvoerder

Op de achtermuur van het crematorium in Zutphen worden pagina’s uit een schetsboek geprojecteerd. Flarden van zinnen. „Waar was je nou”, zei hij. En lichte waterverftekeningen van groene velden met een bosrand, spelende kinderen, torren en spinnen, een kleine caravan. Wie naar buiten kijkt, ziet dat landschap in het echt.

Het is de crematie van Els Hupkes, de weduwe van Ferdi E., die in de herfst van 1987 Gerrit Jan Heijn ontvoerde en vermoordde. Zeven maanden later werd hij van zijn bed gelicht en gearresteerd, maar niet alleen hij. Ook zijn vrouw, zoon en jongste dochter. In familiekring spreekt men nog steeds van ‘de overval’ en dan gaat het niet over de ontvoering, maar over die inval in huis, de ontmaskering van de echtgenoot en de vader, het einde van het lichte leven.

Els Hupkes schreef er zestien jaar geleden een boek over, De kleine Britt. Ze had notities gezien in codetaal, ze had haar man wel eens gevraagd: heb jíj hem ontvoerd? Maar ze wist het niet, schreef ze, of ze had zich ervoor afgesloten.

Het boek ging vooral over de jaren daarna. Hoe haar oudste dochter bijna haar been was verloren nadat er een slagader was dichtgeslibd. Hoe haar zoon ging blowen en verslaafd raakte aan heroïne. Hoe haar jongste dochter geteisterd werd door nachtmerries: „Wat kan ik doen om ook eens aandacht te krijgen”, schreef ze. „Mislukte zelfmoordpoging? Alcoholiste worden?”

Els Hupkes bleef Ferdi trouw. Lezers waren des duivels. „Een volslagen egocentrische en narcistische vrouw.” En: „Wil zij zeggen dat haar man het grootste slachtoffer is?”

En nu was die nacht van de overval alweer zo lang voorbij en zelfs de verwerking van die nacht. Na de dood van haar man in 2009 schreef ze aan haar vriend Tim Krabbé: „Ik loop maar te piekeren over de ballast die Ferdi van jongs af aan heeft meegetorst. Ik hield zoveel van die man.”

Krabbé vergelijkt tijdens de plechtigheid haar leven met een woeste bergstroom met stroomversnellingen en watervallen. „Ik doe al mijn hele leven mijn best om een kabbelend beekje te worden”, schreef ze hem.

En de kinderen? Hoe hebben zij de overval overleefd? Weinig woorden over de vader, ze herdenken hun moeder. De zelf getrokken runderbouillon, de waterverftekeningen.

De jongste dochter brengt de winters in herinnering dat zij oorontstekingen had en haar moeder de nachten naast haar bed doorbracht. De oudste zingt: „Ik sla mijn vleugels uit. Vlieg jij dan met me mee?”

Een ding zegt de jongste dochter over haar moeders vele tegenslagen: „Zoals ze zelf zei: ik ledig de beker des levens tot op de bodem.”

    • Jutta Chorus