De Rechtbankmeneer

komt al 37 jaar lang elke dag op de Amsterdamse rechtbank. Hij is helemaal geen jurist, maar woonde vele duizenden rechtszaken bij. Een dag uit het leven van de rechtbankwatcher. „Hij is een fenomeen.”

Foto Frank Ruiter

‘Maarten!” De rechter buigt zich dichternaar de microfoon. „Maarten!” Hij klinkt streng, maar niet onvriendelijk. „Maarten!” Dan krijgt hij eindelijk de aandacht. „Maarten, als de verdachte zo wordt binnengeleid, ben je dan wel stil?” Maarten van der Tas stopt met praten, houdt zijn handen omhoog en maakt een lichte buiging. „Dankjewel”, zegt de rechter.

Iets zachter, niet veel, pikt Van der Tas de draad weer op. „Dus. Door die deur komt de verdachte dan straks.” Hij wrijft in zijn handen, grijnst breed. „Moet je opletten: vast een draaideurcrimineeltje.” Door het glas zwaait hij naar een cipier. Die zwaait terug. „Zie je? Ze kennen mij.”

De ‘Rechtbankmeneer’ wordt hij genoemd. Sinds zijn twintigste, al 37 jaar, komt Maarten van der Tas vijf dagen per week op de Amsterdamse rechtbank. Hij is een strafzaakjunkie. Juristengroupie. Advocaten, officieren, rechters, bodes, griffiers – hij kent ze allemaal bij naam, en zij hem. Hij heeft duizenden zaken bijgewoond. Zijn statuur op de rechtbank is zijn levenswerk.

Vandaag is een typische dag uit het leven van de Rechtbankmeneer. Een routine waar hij liever niet van afwijkt. Om 13.00 uur komt hij aan op de Parnassusweg op de Zuidas (niet eerder, of er moet een wel héél belangrijke zaak dienen). Hij gromt iets naar de receptionist als hij door de draaideur komt. „Hoi, Maarten”, zegt zij.

Zich aanmelden hoeft hij niet. Op naar de beveiligers. „Maarten! Hoe is het met je?” Spullen, een tas vol paperassen, in een bakje door de metaaldetector. „Veel plezier vandaag.”

Even zitten in de kantine. Van der Tas eet een split. En dan begint het werk. Zaken uitzoeken, bij de griffie vraagt hij wat er speelt, plekje vinden in de rechtszaal en luisteren. Zijn rood-witte windjack houdt hij aan.

Wie is deze man?

Wandelende juridische encyclopedie

„Maarten is een fenomeen”, zegt de bekende strafpleiter Peter Plasman (64). „Elke jurist die weleens in Amsterdam komt, weet wie hij is. Hij is een wandelende juridische encyclopedie. Maarten kan zo een rechtszaak van twintig jaar geleden oplepelen en dan weet hij precies wie de voorzitter was, de advocaten, de officier en het vonnis. Ongelofelijk.”

„Een paradijsvogel”, zegt Frans Krieger (66), secretaris van de rechtbank Amsterdam. „Levende folklore. Rechtbankmeubilair. Hier kan je niet om hem heen.”

Advocaat Gerard Spong: „Op het eerste gezicht denk je dat je met de dorpsgek te maken hebt, maar hij is allesbehalve dat. Ik heb grote bewondering voor zijn kennis van het recht.”

Oscar Hammerstein: „Ik ben door hem gefascineerd. Hij is een soort juridische... Hoe heet die film? Rain Man.”

Of ex-advocaat Bram Moszkowicz: „Zoals Maarten maak je ze niet veel mee. Hij is, denk ik, enorm intelligent. Hij is een halve advocaat, rechter en officier ineen. Hij wist me nog details te vertellen over pleidooien die mijn vader ooit hield.”

Prominent advocaat

Eigenlijk was Maarten van der Tas voorbestemd om zélf jurist te worden. Uit zijn tas, die draagt hij altijd bij zich, trekt hij een kopie van een krantenknipsel uit de jaren zeventig. „Kijk, dit heb ik voor je meegenomen.” Een artikel waarin zijn eigen vader, mr. L.C. van der Tas, destijds prominent Nederlands advocaat, weigert de oorlogsmisdadiger Pieter Menten te verdedigen; Van der Tas senior, verzetstrijder, had in de oorlog in een concentratiekamp gezeten.

Bij de jonge Maarten ontwaakte de liefde voor het recht al vroeg. Thuis gingen de gesprekken onophoudelijk over de juristerij, ook zijn oom was advocaat. Hij stond te trappelen om in zijn vaders voetsporen te treden.

Maar toen kwam dat ongeluk.

Het gebeurde op zijn tiende. Even buiten Vreeland, de woonplaats van het gezin, raakte Van der Tas betrokken bij een auto-ongeval. Een klap op zijn hoofd. Hij raakte zwaargewond. „Een vreselijke, vreselijke tijd”, zegt hij. „Een ramp. Ik wil er niet aan herinnerd worden.”

Zijn ogen staan scheef en Van der Tas spreekt langzamer dan anderen, met een slepende grom in zijn stem. Lopen gaat schokkerig. Hij ziet slecht door één oog. Als je recht voor hem staat, lijkt het alsof hij dwars door je heen kijkt.

Een studie rechten zat er niet meer in. „Misschien had het nu gekund met alle computertechniek, maar destijds was het niet mogelijk”, zegt hij. „Ik kon nog geen aantekening van het bord lezen.” Traumatisch, hij heeft het er jaren zwaar mee gehad – net als zijn vader trouwens.

Rond zijn twintigste nam Van der Tas een besluit. Al zou hij nooit de titel ‘mr.’ voeren, hij zou zich niet laten buitensluiten van die glanzende juridische wereld. De rechtbank is meer dan een decor waartegen zich verhandelingen, zaken, uitspraken voltrekken: het is ook een sociale biotoop met eigen mores, tradities en omgangsvormen. En daarbinnen zou hij een plek voor zichzelf verwerven.

Vijf flessen olie

„Kijk! Daar komt hij, daar is-ie!”, zegt Van der Tas. De verdachte wordt binnengeleid, een vijftiger van Surinaamse komaf. De verdenking: diefstal, uit de Albert Heijn, vijf flessen olijfolie en een blikje tonijn. „U heeft goede smaak”, zegt de rechter, „maar daar moet u natuurlijk wel voor betalen.”

De verdachte knikt.

„U bent hier niet voor het eerst ook. U heeft vaker gestolen.” Ja.

Van der Tas: „Zie je nou!”

De rechter: „En u hebt uw taakstraffen niet uitgevoerd, hè?” Nee.

Van der Tas: „Oóóóóh!”

Normaal gesproken zit hij geen minuut stil. Zijn ogen schieten alle kanten op, een jager op zoek naar prooi, geen advocaat of rechter komt hem ongezien voorbij. Maar niet tijdens een rechtszaak. Met opperste concentratie volgt Van der Tas elk woord dat wordt uitgesproken, hij knikt, gnuift, af en toe mompelt hij in zichzelf, alsof hij commentaar geeft op een sportwedstrijd.

Ook na vele duizenden zaken verveelt hij zich niet. Nooit. Het recht is áltijd interessant – of het nu gaat om een moord of wegmisbruik. Al te emotionele zaken gaat hij zelfs liever uit de weg. „Robert M., die kindermisbruiker, zoiets hoef ik niet te zien.”

Van der Tas heeft enige bekendheid als cultfiguur. Sites als GeenStijl en Dumpert hebben hem, met zijn kenmerkende voorkomen, inmiddels lang en breed ontdekt. Man bijt hond probeerde hem vijf jaar lang in het tv-programma te krijgen. Ze bleven boodschappen voor hem achterlaten op de rechtbank – een mobiele telefoon heeft hij niet – maar Van der Tas hield de boot af. „Ik was toch een beetje bang om voor gek gezet te worden.”

Hij woont alleen in Amsterdam, geen kinderen. De rechtbank is alles voor hem. Hij praat luid. Waar hij ook is, zijn stem trekt de aandacht. „Veel mensen hier zijn een beetje bang voor hem”, zegt Frans Krieger. „Als hij een bekende ziet, dan roept hij dat op zo’n toon dat iedereen direct omkijkt. Waar komt dát geluid vandaan? Hij kan dwingend zijn. Ik ben altijd glashelder. Als ik geen tijd heb, zeg ik: heb nu geen tijd voor je, Maarten.”

Gerard Spong: „Geeeeráááárd, schalmt het dan vanaf vijftien meter door de gangen. Op zijn Frans, hè: Gerárd.”

Niet de enige rechtbankwatcher

Maarten van der Tas is niet de enige ‘rechtbankwatcher’ van Nederland. Bijna alle rechtbanken hebben zo hun trouwe bezoekers. Zij hebben een toegevoegde waarde voor de juridische wereld, zegt Gerard Spong. „Zij hebben een uniek perspectief op het recht. Een soort bird’s eye view. Ze zien alle soorten zaken, de nukken van rechters, officieren. De hoogte- en dieptepunten in de loopbaan van een advocaat. Dat registreren ze feilloos. Alleen daarom is het al zinnig om met ze te praten. En dan met Maarten in het bijzonder.”

Volgens Bram Moszkowicz is er een verschil met de andere watchers: „Die zitten op de tribune, bekijken ‘voorstellingen’. Voor Maarten speelt zijn sociale leven zich op de rechtbank af.”

Heeft Van der Tas de juridische wereld de afgelopen veertig jaar zien veranderen? „Niet in stijl”, zegt hij. „Het blijft dezelfde omgeving, met dezelfde omgangsvormen. Maar wel in omvang. Toen ik begon waren er een paar honderd advocaten in Amsterdam. Nu zijn het er achtduizend. Er zitten nog steeds toppers en ezels tussen.”

Wie is zijn favoriete advocaat? Van der Tas hapert geen seconde. „Peter Plasman. Volgens mij is dat de beste van Nederland, een soort helderziende.” Plasman grinnikt over de telefoon. „Dat heb ik weleens gehoord, ja, dat Maarten dat vindt. Wie ben ik om hem tegen te spreken?”

Wat brengt de rest van de dag voor de Rechtbankmeneer? Meer zaken. Een Roemeense prostituee die etenswaren heeft gestolen („Vervelend, met zo’n tolk erbij”), een man die stoned en dronken na een politieachtervolging zijn auto om een lantaarnpaal heeft gevouwen („Fijne rechter is dat”), iemand die werd betrapt met 7,23 gram cocaïne in bolletjes („Die maakt geen kans”).

Als die laatste zaak is afgelopen, om 17.00 uur, zit zijn dag er weer op. Met zijn jas nog steeds aan volgt hij de laatste momenten van de verhandeling.

Rechter: „De uitspraak volgt...”

Van der Tas: „Over veertien dagen!”

„...over twee weken. Wij komen dan bij elkaar...”

Van der Tas: „Om één uur!”

„...om één uur. Tot dan.”

    • Thomas Rueb