Waarom zijn de Britten ooit lid geworden van de EU?

De Britten bleven in de jaren vijftig afzijdig toen de oorspronkelijke zes (Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, Italië en Duitsland) besloten tot samenwerking. Maar tot hun verbazing bloeide deze Europese Economische Gemeenschap, terwijl het VK eind jaren zestig de arme man van Europa bleef, waar stakingen en elektriciteitsonderbrekingen aan de orde van de dag waren. De EEG was in vergelijking modern en welvarend. De Britten kregen, zoals het Conservatieve Lagerhuislid Anthony Nutting schreef in 1964, het idee dat ze „de bus hadden gemist”.

Twee keer werd een verzoek tot toetreding echter door de Franse president De Gaulle tegengehouden. Uiteindelijk werden de Britten in 1973 lid: „Vijfentwintig jaar zijn we op zoek geweest naar iets dat ons weer opbeurt. Dit is het”, zei toenmalig premier Edward Heath (Conservatief). „In ons alledaagse leven zullen we merken dat er wederzijdse bestuiving zal zijn van kennis en informatie, niet alleen in het bedrijfsleven, maar overal. Dat zal ons efficiënter maken, en concurrerender in meer markten dan Europa.”

Lang duurde de tevredenheid overigens niet. In 1975 hielden de Britten ook een referendum over hun lidmaatschap, na een „fundamentele heronderhandeling” van de voorwaarden waaronder ze lid waren geworden. Dat was een poging van Labour-premier Harold Wilson om zijn partij achter zich te krijgen. Het sociaal-democratische Labour was toen de eurosceptische partij, de Conservatieven waren pro-Europees. In het referendum van 1975 kozen de Britten ervoor lid te blijven.