Spookverhaal in armenkolonie

In de voormalige armenkolonie in Veenhuizen speelt de voorstelling ‘Het Pauperparadijs’, naar de bestseller van Suzanna Jansen. Regisseur Tom de Ket: „Armoede is een steeds reëler probleem in Nederland.”

Foto Reyer Boxem

‘Het is een spookverhaal”, zegt regisseur Tom de Ket over de muziektheatervoorstelling Het Pauperparadijs naar het gelijknamige boek van Suzanna Jansen. „Iedereen die eens in Drenthe verbleef in het armengesticht of de bedelaarskolonie Veenhuizen is gestigmatiseerd. Het is een beladen plek.”

Ook Jansen noemt haar boek een ‘spooky verhaal’. Jansen: „Toen ik hier in 2002 voor het eerst kwam, op zoek naar de geschiedenis van mijn familie, stonden overal borden Verboden Toegang en waren de hekken op slot. Ik was erachter gekomen dat mijn overgrootmoeder hiervandaan kwam en wilde meer over haar weten. Ik klom over een hek en zwierf door een van de leegstaande gebouwen, waar zij als kind had geleefd in het Tweede Gesticht. Het had iets griezeligs.”

Op de binnenplaats van het huidige Gevangenismuseum, gevestigd in voormalige Tweede Gesticht, verrijst een decor met de Jordaan, de Westerkerk en reusachtig spreekgestoelte dat overal bovenuit torent: daar staat, boven iedereen verheven, de man die Nederland in de negentiende eeuw wilde redden van de armoede, generaal Johannes van den Bosch, vertolkt door acteur Dragan Bakema. Hij ontfermde zich met goede bedoelingen over behoeftige stedelingen en wezen. De Ket: „In de voorstelling spelen we met schaal. De generaal is groter dan groot, de armen over wie hij beslist steken daar nietig bij af. Armoede moest uitgeroeid worden, dat was de missie. Van den Bosch wilde dat doen door armen te werk te stellen.”

Als armen, landlopers en weeskinderen nu eens de gronden van Drenthe zouden ontginnen, bedacht Van den Bosch, dan was de regering verlost van het armoedeprobleem én van de woeste streken. In 1823 richtte hij de Maatschappij van Weldadigheid op, een humane instelling die echter voor grote tragiek zorgde. Armen werden eerst vrijwillig, later onder dwang, opgesloten in zogeheten dwanggestichten.

Suzanna Jansen speurt in haar boek naar de ‘zwarte bladzijde’ uit onze historie. Jansen: „Veenhuizen was een verzwegen hoofdstuk in mijn familiegeschiedenis. In het Nederland van 1815 leefden 2 miljoen mensen in kommervolle omstandigheden. Weeskinderen uit het Amsterdamse Aalmoezeniershuis werden ’s nachts opgehaald en naar die uithoek van Nederland vervoerd. Onderweg gingen kinderen dood door kou, ziekte, uitputting. Veel weeskinderen waren niet eens echte wezen. Ze werden door hun ouders achtergelaten, zodat ze in een tehuis terecht konden. Kwamen ze eenmaal aan in een van de ‘gestichten’, dan keerden ze nooit terug naar hun oude omgeving.”

Armoede is „niet sexy, we sluiten ons ervoor af”, aldus Jansen. Bij haar tocht naar de kolonie stuitte ze ook op het zogenaamde Vierde Gesticht, de begraafplaats. Het viel op dat de graven anoniem zijn. Geen familie wil met Veenhuizen geassocieerd worden. Het is vooral dit gegeven dat regisseur De Ket aanspreekt. „Er is bijna niemand die het gelooft, maar armoede is een steeds reëler probleem in Nederland. In Amsterdam, een van de rijkste steden ter wereld, kunnen vier van de tien inwoners maar net rondkomen, zoals laatst in NRC stond. Nederland is gericht op kansrijken en niet kansarmen.”

In de toneelversie introduceert De Ket een verteller, vertolkt door Paul R. Kooij. Hij neemt de toeschouwers mee in dit historische verhaal dat zich afspeelt „aan de achterkant van het bestaan, naar het Nederland van toen, een koninkrijk van sloppen, waarin onze voorouders leefden”. Deze voorouders krijgen gestalte in twee jonge personages, Teunis en Cato, gespeeld door Steyn de Leeuwe en Margreet Boersbroek. De Leeuwe erkent dat ook hij „met vooroordelen reageert jegens daklozen en zwervers. We wijten dat vaak aan henzelf. Maar eigenlijk weten we niets van hen. Door welke omstandigheden kregen ze een duwtje in wat wij noemen de verkeerde richting?” Voor Margreet Boersbroek is de voorstelling alsof ze luistert naar berichtgeving over vluchtelingen: „Als je tot de onderklasse behoort, is het lastig hogerop te komen. Toch ben ik er wel van overtuigd dat de Maatschappij van Weldadigheid een zegenrijk initiatief was. Er bestond misschien geen andere mogelijkheid. Hongersnood dreigde. Je kunt zeggen dat paupergeneraal Van den Bosch in elk geval iets heeft gedaan, maar geleidelijk ontaarde zijn optimisme in een uitzichtloze situatie.”

Het Pauperparadijs is een soort diapositief van De Verleiders, ook gemaakt door Tom de Ket. „De bankiers die ik daarvoor sprak, zeiden allemaal dat ze hun kapitaal aan eigen verdienste hadden te danken. Maar ook omstandigheden als afkomst spelen een rol bij succes. Vergelijk dat eens met kansarmen of de vluchtelingen in de huidige maatschappij. Denken we aan Amsterdam, dan gaat het altijd over de grachtengordel, nooit over de wijken erbuiten. Ik hoop dat de voorstelling een pleidooi zal zijn voor medemenselijkheid.”

    • Kester Freriks