Seks blijft de Kamer beheersen

Uit de wandelgangen De positie van prostituees en hun klanten is wederom onderwerp van discussie.

Het recht op hoerenlopen

Al jaren praten Tweede en Eerste Kamer over het meer aan regels binden van de prostitutiebranche. Ideologisch kernpunt is telkens de vraag hoe ver de overheid mag ingrijpen in de vrijheid van het individu. Ook donderdagavond weer. Wie een prostituee wil bezoeken, moet dat kunnen, zei het liberale Nederland begin deze eeuw, toen het bordeelverbod werd opgeheven.

Voor de met de branche samenhangende misstanden was minder aandacht. Het werd al gauw beschouwd als het beperken van de seksuele vrijheid. Fractievoorzitter Gert-Jan Segers van de ChristenUnie kan op zijn conto schrijven dat hij een meerderheid heeft verworven voor zijn initiatiefwet om bordeelbezoekers strafbaar te stellen als zij hadden kunnen weten dat de door hen bezochte prostituees onder dwang werkten.

Nu de pooiers nog

Nu moet de Kamer oordelen over de leeftijdsgrens voor legale prostituees. Die gaat van 18 naar 21 jaar, is het voorstel van het kabinet. Een goede aanvulling op zijn eigen wet, vindt Segers. Maar daarmee is zijn wensenlijst nog niet uitgeput. Als het aan hem ligt komt er straks ook een pooierverbod. Maar dat zal nog wel even duren, geeft hij toe.

En de webcamseksreclame

Ondertussen blijft Kees van der Staaij, voorman van de SGP, zijn eigen strijd voortzetten. Eerder wist hij de seculiere media te halen met zijn (vergeefse) pleidooi om reclamespotjes voor de ‘overspelwebsite’ Second Love bij de publieke omroep te verbieden.

Deze week riep hij minister Ard van der Steur naar de Kamer om te fulmineren tegen reclameposters in bushokjes waar webcamseks werd aangeprezen. Van der Staaij vindt dat kinderen die bijvoorbeeld de Avondvierdaagse lopen hiermee niet moeten worden geconfronteerd. Het voorspelbare antwoord van de minister was dat de niet overheid hierover gaat maar de Reclame Code Commissie. Dat wist Van der Staaij natuurlijk ook, maar hij had in elk geval zijn punt kunnen maken.

    • Mark Kranenburg