Opinie

    • Ellen Deckwitz

Literaire graffiti

Regelmatig zit ik met watervaste ballpoint in een boek te schrijven. Mijn bibliofiele vrienden (types die hun leesvoer in pH-neutrale zakjes bewaren zodat het hen minstens duizend jaar overleeft) luisteren liever naar het geluid van een roestige schaar die Gorters Mei in een schoolbord kerft. Maar ik kan het niet laten, ik moét de invallen noteren die ik dankzij de tekst heb, mooie zinnen onderstrepen, uitroeptekens plaatsen bij de zaken die me verrassen. Zo wordt een boek weer een boom, waarin je harten en initialen krast, zodat ze altijd bewaard blijven.

Dit weekend las ik in de trein een roman die zo goed was dat ik bijna elke zin onderstreepte en die onderstreping vervolgens ook nog weer onderstreepte (De wachttoren van Elizabeth Harrower). De man tegenover me, een jaar of zeventig, zat al een kwartier onrustig op zijn stoel te wiebelen tot hij het niet langer hield en uitbarstte dat ik dat arme boek met rust moest laten. Ik gaf hem een Smintje en we raakten aan de praat, hoewel ik niet zeker wist of hij wel echt met mij wilde praten: misschien hield hij het gesprek gaande zodat ik mijn literaire graffiti niet zou hervatten.

Hij vertelde me dat zijn ouders zo zuinig op hun boeken waren, dat hij eerst zijn handen moest wassen voor hij er een mocht openslaan (ik gebruik de randjes van boeken om vuil onder mijn nagels vandaan te halen). En tijdens het lezen mocht het boek maar op een kiertje open, zodat de kaft ongekreukt bleef. „Onze boeken zagen er na lezing uit als nieuw”, zei hij trots.

„Als een boek er bij mij na lezing uitziet als nieuw, vond ik het blijkbaar geen goed boek”, zei ik. De rest van de treinrit verliep in stilte. Ik had geen zin om mijn streepdrift te verdedigen tegen iemand zoals hij. Dit soort mensen begrijpt toch niet dat, wanneer je zo’n boek na jaren weer openslaat, je door de aantekeningen terug kan lezen wie je was. In mijn exemplaar van Brave New World las ik laatst opmerkingen van mijn veertienjarige ik, zoals ‘het Leven draait om macht, vooral bij mensen’. Het wordt zo de surplus van een dagboek, want het gaat met een tekst van een onbekende het gesprek aan.

Alleen al dat plezier is voldoende reden om met tijdelijke inzichten een boek te verluchten voor de eeuwigheid. Het slot van De Avonden heb ik met lichtgevend gele marker onderstreept. Een sterrenregen aan Bic-inkt zegt alvast hallo tegen mijn tachtigjarige ik. Dat ik schreef en kraste en vooral las. Dat dat niet onopgemerkt is gebleven.

    • Ellen Deckwitz