Krijgsmacht of carrière, Hennis?

Als minister Jeanine Hennis-Plasschaert niet meer geld weet los te peuteren, kan ze beter opstappen. Met dit budget neemt ze haar defensietaak volstrekt niet serieus, meent majoor .

‘Geen cijfer, als het om bezuinigingen op defensie gaat, is mij eigenlijk hoog genoeg.’ Dit waren de woorden die PvdA-leider Wim Kok aan het begin van de jaren negentig liet optekenen. De kans op grootschalige conflicten, zo was de optimistische redenatie, zou na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie immers nihil zijn. Defensie stortte zich vanaf dat moment meer en meer op vredesmissies. De ironie was dat de operationele inzet, met een sterk slinkend budget, hoger lag dan ooit.

De krijgsmacht, bij uitstek een politiek middel, lijkt te sneuvelen onder de can do-mentaliteit die ze zo propageert. Een situatie die zijn hoogtepunt bereikt in augustus 1994 als generaal Van der Vlis (chef defensiestaf, hoogste adviseur van de minister) na een uitgebreide analyse tot de conclusie komt dat de opdrachten aan defensie na de bezuinigingen niet meer uitvoerbaar zijn. Zoals de defensiedoctrine dat nog steeds voorschrijft, gaat hij na het trekken van die conclusie terug naar zijn opdrachtgever, in dit geval de minister, en brengt zijn advies uit. Op het moment dat deze besluit dit advies naast zich neer te leggen, laat hij de generaal daarom geen andere keuze dan de opdracht terug te geven en ontslag te nemen.

De morele moed van de generaal is vrij snel vergeten, de militaire gieren die binnen zijn staf om hem heen vlogen, dalen zonder mededogen neer op zijn karkas en geven trouw invulling aan het adagium van Defensieminister Ter Beek: ‘Wat de minister wil kan niet, maar als het morgen toch moet, had het gisteren al gekund.’

Jarenlang laat Defensie zich afschaven en worden de bezuinigingen door vooral het gewone personeel als levertraan geslikt. Het maken van een statement door de defensietop wordt, na Van der Vlis, weggewoven met de woorden: ‘Als ik het niet doe, doet een ander het wel.’ Tot er in 2010, bij het verschijnen van het eindrapport ‘Verkenningen 2010. Houvast voor de krijgsmacht van de toekomst’ hoop gloort aan de militaire horizon. Het rapport benoemt vier inzetopties.

In de eerste optie, ‘veilig blijven’, zou de krijgsmacht zich moeten gaan richten op de eerste en derde hoofdtaak van Defensie: ondersteuning bij rampen en crises en de beveiliging van het eigen en het bondgenootschappelijk grondgebied.

Optie twee, ‘kort en krachtig’, is geënt op een krijgsmacht die zich bezighoudt met het afdwingen van de tweede hoofdtaak van Defensie, het handhaven van de internationale rechtsorde. In internationaal verband zenden we militairen uit om in conflictgebieden en tegen terreur voor een beperkte duur krachtig op te treden. Een optie waarbij er volgens het rapport ook een geloofwaardige bijdrage geleverd kan worden aan de verdediging van het eigen of het bondgenootschappelijk grondgebied, maar waar we af kunnen met een lichtere en meer hybride krijgsmacht.

‘Veiligheid brengen’, optie drie, lijkt veel op de voorgaande. Het belangrijkste verschil zit hem echter in de lengte van de deelname van Defensie aan missies in dit kader en daarmee de rol die we als Nederland spelen in EU- en NAVO-verband.

De laatste optie, ‘breed inzetbaar’, borduurt voort op de opdracht van de politiek aan Defensie en is de enige waarbij Defensie ook daadwerkelijk invulling geeft aan de alle drie de hoofdtaken.

Het rapport, dat duidelijk maakt dat alleen optie 1 met het huidige budget uitvoerbaar is, oogst ook in de Kamer veel lof, maar niemand in diezelfde Kamer spreekt zich hardop uit over een keuze en geeft daardoor dus richting aan de organisatie. De praktijk, zo blijkt, geeft die duidelijkheid wel. De krijgsmacht moet, weliswaar met een kleiner wordende begroting, toch breed inzetbaar blijven.

Vorig jaar gloorde er hoop, de aanslagen in Parijs en Brussel, MH17 en IS droegen bij aan een toenemend gevoel van onveiligheid en dus leek er ruimte voor de Commandant der Strijdkrachten en de minister om een statement te maken en om meer geld te vragen. In een sessie op de hei schetsten generaals een positief beeld van het verloop van het defensiebudget voor de komende jaren. Toen afgelopen week bekend werd dat er opnieuw 200 miljoen euro op defensie bezuinigd zal worden, bleek dat de hoop van korte duur was.

‘Tijdelijk minder uitgeven’ was het eufemisme dat Defensieminister Jeanine Hennis-Plasschaert, die eigenhandig de bezuinigingen bij Defensie had weten te keren, gebruikte om militairen gerust te stellen. Minder oefenen en minder varen, het werd met droge ogen verkocht. De maandag onverwachts toegezegde 300 miljoen euro veranderen hier weinig aan. Vooral omdat we het publiek laten geloven dat er geld bij komt terwijl er eigenlijk sprake is van minder bezuinigen dan was gepland.

Ik ben niet verbaasd over de bezuinigingen, wel dat de minister niet in de Kamer is gaan staan om te vertellen wat de Defensietop, totdat ze buiten dienst is, al jaren openlijk nalaat te melden: ‘De opdracht is onuitvoerbaar.’

Het zou mooi zijn als Hennis haar titel van invloedrijkste vrouw waarmaakt, dat ze (net als generaal Van der Vlis) ervan blijk geeft onze organisatie en doctrine te begrijpen. Met een vlammend betoog in de Kamer over onze verantwoordelijkheid binnen de NAVO, over onze internationale handelsbalans als exportland, over de toenemende dreiging van oorlog en aanslagen, maar ook over de ongelukken die gaan gebeuren als onze militairen met te weinig training op missie gestuurd worden. Een weergaloos pleidooi, waarna ze met opgeheven hoofd, met een rechte rug en gedragen door haar militairen de politieke arena kan verlaten.

    • Niels Roelen