Terug naar het donker

New York Anna Woltz schreef Honderd uur nacht, over de stroomstoring die in 2012 Manhattan platlegde. Deze maand verscheen de vertaling in de VS en ging de schrijfster terug naar de plekken uit haar boek.

Foto Getty Images

‘But this isn’t a set; it’s for real.’

Een schitterend gebouw aan Broadway. Een gevel met hoge, witte pilaren tussen rood en mosgroen staal. Op de zesde verdieping sla ik de Engelse vertaling van mijn boek open. Drie meisjes van mijn Amerikaanse uitgeverij staan om me heen: ze willen dat ik voor hun Snapchataccount de scène voorlees waarin mijn hoofdpersoon zich realiseert dat New York geen filmset is, maar werkelijkheid.

Het Droste-effect is overweldigend. Aan Broadway voor een camera verklaren dat New York geen filmset is – dat kan mijn Hollandse brein nauwelijks aan. Na de laatste zin beginnen de meisjes kirrend te klappen. ‘That was perfect! Amazing! You did so well!’

Mijn jeugdboeken zijn in negen landen uitgegeven, maar tot vorige maand was er nog nooit een boek verschenen in een land waar ik maanden gewoond heb, en nog nooit in een taal die ik écht dacht te kennen. Wanneer je hoort dat de Japanse vertaling van je boek als ‘zomerleesboek’ is gekozen en dat 70.000 Japanse schoolkinderen je verhaal gaan lezen, is dat fantastisch. Maar wát die kinderen precies te lezen krijgen en hoeveel ze snappen van het verhaal, zal ik nooit weten. De grote vraag is nu: kan ik Amerikanen wél doorgronden?

De smetvrees van Emilia resoneert keihard bij Amerikanen

Toen ik in 2012 drie maanden in New York woonde, maakte ik daar orkaan Sandy mee. Een enorme stroomstoring legde bij mij in downtown Manhattan 96 uur lang het leven lam. Ik schreef er een jeugdboek over en noemde het Honderd uur nacht – die vier extra uren duisternis verzon ik erbij voor een klinkende titel, maar verder klopte elk detail over de storm.

Anderhalf jaar geleden belde mijn Nederlandse uitgever Querido: Honderd uur nacht was verkocht aan Arthur A. Levine Books, een imprint van het reusachtige Scholastic, ook de uitgever van Harry Potter. Laura Watkinson, prijswinnend vertaalster van onder andere De brief voor de koning van Tonke Dragt, zou het gaan vertalen.

Lees ook de recensie: ‘Honderd uur nacht’

Ik wist het meteen: wanneer mijn boek in Amerika verschijnt, wil ik het met eigen ogen in de winkel zien liggen. Eind mei vertrok ik dus naar New York.

De weken daarvoor had ik tientallen mailtjes geschreven om eigenhandig een enigszins curieuze book tour in elkaar te zetten. Mijn Amerikaanse uitgever negeerde al maanden vakkundig alle mailtjes over mijn reis, omdat ze doodsbang waren dat ik me zou ontpoppen tot een behoeftige schrijver die om signeersessies en misschien wel reiskostenvergoeding zou gaan bedelen. Dat deed ik dus niet. In Amerika ben ik totaal onbekend en is mijn boek een debuut; daar gaat een uitgever natuurlijk geen extra geld instoppen.

Ik mailde gewoon zelf alle lievelingslocaties die in mijn boek voorkwamen, om te vragen of ik daar een exemplaar van A Hundred Hours of Night mocht komen aanbieden. Ze zeiden allemaal ja – hoewel ze bij het wereldberoemde museum The Frick Collection duidelijk geen enkel idee hadden waarom die rare schrijfster dit eigenlijk nodig vond. Maar bij boekwinkel Barnes and Noble begrepen ze het precies.

Tussen de boekenkasten

Hun filiaal aan Fifth Avenue was in 2012 die paar donkere dagen lang mijn huis geweest: samen met massa’s lotgenoten uit wijken zonder elektriciteit zat ik urenlang op de grond tussen de boekenkasten, waar we ons laafden aan wifi, verwarming en stopcontacten. Nu liep ik rechtstreeks naar het ene gangpad dat ik nooit zal vergeten. Daar zat ik in 2012 op de keiharde grijze vloerbedekking. Mijn hoofdpersonen zitten er in mijn boek. En nu ging ik er weer zitten. Met mijn boek.

Het was fascinerend om ter plekke te ontdekken hoe goed de vertaling is.

In een stijlvolle salon aan 51st Street organiseerden The Netherland Club en het Nederlands Consulaat een boekpresentatie. Met Nederlanders én Amerikanen praatten we over mijn verhaal.

Honderd uur nacht (12+) en A Hundred Hours of Night (14+!) verschillen inhoudelijk op een paar punten. Mijn hoofdpersonen moesten voor de Amerikaanse vertaling allemaal één of twee jaar ouder worden, want voor hun originele leeftijden vond men ze veel te kordaat en zelfstandig. Vorige zomer voerden mijn Amerikaanse redactrice, vertaalster Laura Watkinson en ik een lange discussie over de scène waarin een negenjarig meisje een opmerking maakt over ‘het piemeltje van Jeremy Jones’ dat ze bij zwemles heeft gezien.

In de kantlijn had mijn redactrice geschreven dat ze deze zin wilde schrappen, want ‘it’d be best to have as little mixing of little girls and penises as possible.’ En dan een smiley. Ik moest erom grinniken, maar was ook verontwaardigd over de preutsheid van Amerikanen. Maar na twee weken in New York snap ik mijn redactrice opeens: ze was niet bang voor een piemeltje, maar zag dat die scène volstrekt onmogelijk is in Amerika.

Nederlandse expats verzekerden me dat een meisje in Amerika nóóit bij zwemles een blote jongen zou zien. Zelfs broertjes en zusjes boven de vier of vijf mogen elkaar niet meer naakt zien. Dus ja, het piemeltje van Jeremy Jones sneuvelde terecht in de vertaling.

Ik ontdekte ook dat de smetvrees van hoofdpersoon Emilia keihard resoneert bij Amerikanen. Op elke wc zag ik vrouwen deuren openen met papieren handdoekjes en hoorde ik bezorgde moeders op schelle toon hun kind waarschuwen nergens aan te komen. Ze riepen dat hun dochtertje in de wc altijd héél dicht bij mommy moest blijven om safe te zijn. Die verstikkende Amerikaanse bezorgdheid verklaart het verhogen van de leeftijd van zowel mijn hoofdpersonen als mijn lezers.

Vloeken als een filmster

Alleen over het gebruik van fuck aarzel ik nu opeens. Hoofdpersoon Jim van zeventien ziet eruit als een filmster en in mijn boek vloekt hij ook een paar keer als een filmster. Eerder was ik opgelucht toen bleek dat mijn Amerikaanse redactrice zijn fucks tolereerde, maar na mijn reis vraag ik me af of we ze niet hadden moeten schrappen. De gevoelswaarde van fuck is in Amerika totaal anders dan in Nederland; door films en series dacht ik dat ze daar fucking all the time fuck zeggen, maar daar is niets van waar.

Ik zal nooit de klas met Nederlandse expatkinderen vergeten die ik toesprak in New York. Ik vertelde over een scène en zei niet netjes ‘the f-word’ maar voluit ‘fuck’, en dertig blonde kinderen zaten me opeens kaarsrecht met opengesperde ogen aan te kijken, gegeneerd én sensatiebelust.

Zo heftig bedoelde ik het nou ook weer niet. Als schrijver denk ik honderd keer na over elk woord en ben ik gehecht aan elk leesteken. Maar uiteindelijk gaat het om betekenis. Toen in een Duitse vertaling ‘beschuit met muisjes’ in ballonnen werd veranderd, vond ik dat geen verkrachting van mijn tekst, maar een zinnige aanpassing; met die onbekende muisjes konden Duitse tienjarigen helemaal niets.

Vier jaar geleden werd ik verliefd op New York en dat ben ik nog steeds. Zodra ik die unieke, warme snoeplucht van de metro ruik, voel ik me thuis. Maar dat ik na drie maanden in de hoofdstad en honderden Amerikaanse romans en films het land zou snappen, dat is een illusie.

En of ze mij daar als schrijfster ooit echt leren kennen? Geen idee. Toen ik in een boekwinkel selfies maakte, kwam er een door de wol geverfde verkoopster naar me toe: bij zóveel selfies had je meestal met de auteur te maken. Als ik wilde, mocht ik mijn boek signeren; ze haalde alvast een rol met Autographed Copy-stickers onder de toonbank vandaan. Alleen, dat was hun beleid, moest ik me wel identificeren met photo ID. Terwijl ik voor het eerst van mijn leven in een boekwinkel mijn paspoort vertoonde, vroeg ik me af hoeveel mensen romans proberen te signeren die ze helemaal niet geschreven hebben. Misschien wel hele hordes, in dit land waar de werkelijkheid vloeiend overloopt in fictie.

    • een onzer redacteuren