Referendum Oekraïne blijft zeuren

Uit de wandelgangen Premier Mark Rutte die eindelijk iets vindt van het referendum. En hoe!

Totally Rutte

Een vorm van overcompensatie werd het dinsdag in de Tweede Kamer al genoemd: minister-president Rutte die afgelopen maandag ten overstaan van een groep parlementsleden uit Europese lidstaten all out ging. Het vermaledijde Oekraïne-referendum dat in april tot een overtuigend nee leidde, was het onderwerp van zijn toorn. De uitkomst van ervan noemde hij niet alleen „desastreus”, een kwalificatie die nog niet eerder over zijn lippen kwam, hij was ook „totally” tegen het instrument (de voertaal was Engels). Bovendien verklaarde Rutte zich „totally, totally, totally” tegen als het referendum ging over akkoorden waar andere landen bij zijn betrokken, zogeheten multilaterale verdragen. Was de verkiezingscampagne begonnen, vroegen Kamerleden zich af.

In plaats van stille Rutte

Dat Rutte weinig voelt voor referenda, is bekend. Maar dat hij zich dermate krachtig uitliet was toch wel weer opmerkelijk. Want dezelfde Rutte zei drie dagen na de uitslag van het referendum nog niets te willen zeggen over het referendum als middel. Hij wilde het debat over wat er moest gebeuren met de uitslag „niet verstoren” door deze vraag. „Dan gaat alles door elkaar lopen”, aldus Rutte destijds. Maar goed, dat was al weer twee maanden geleden.

Baudet en Roos komen niet

Over wat het kabinet nu gaat doen met het nee van de Nederlandse kiezer tegen het samenwerkingsverdrag tussen Oekraïne en de Europese Unie is nog altijd niets bekend. Vorige week schreef minister Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA) de Tweede Kamer dat er nog gestudeerd wordt en dat de kwestie eind deze maand bij de top van Europese regeringsleiders aan de orde komt. Eveneens vorige week nodigde het ministerie van Buitenlandse Zaken de initiatiefnemers van het referendum, Thierry Baudet en Jan Roos, uit om te komen praten. De uitnodiging is afgeslagen. „Lekker met z&aposn allen in een achterkamertje aan de dialoogtafel? Nee”, antwoordden zij.

    • Mark Kranenburg