Hybride van barokmuziek en puberdans ontroert

Scène uit ‘Melancholia’ Foto Sandra Then

HF Muziektheater

Méditation sur ma mort future staat er in lichtletters op het podium. En wanneer ervaart de mens het lijden aan zijn vergankelijkheid het heftigst? Als tiener, waarschijnlijk. Die ongemakkelijke fase, waarin verveling, onvrijheid, onzekerheid en boosheid nog niet gladgestreken zijn door gebotvierde lust, zelfstandigheid en gerichte ontplooiing. De fase, kortom, waar je liever niet (te vaak) aan terugdenkt. Waarin je balorig een hele chocoladereep opat. Urenlang met een bal tegen een muur kaatste. Zeventien koprollen maakte. Of (optie anno 2016) 83 selfies schiet met je smartphone. Niet omdat het moet, maar omdat het kan.

Voornoemde opvolging van wezenloos pubergedrag is aan de lange kant, maar dat geldt ook voor de voorstelling Melancholia – een samenwerking tussen barokorkest La Cetra en de zeer jonge dansers (14 tot 24 jaar) van het Junges Theater Basel. En toch werkt hij, deze wonderlijke, door Sebastian Nübling geregisseerde hybride van gestileerde barokmuziek met ongestileerde jongerendans. Omdat de confrontatie met 19 tieners buiten de context van een schoolplein ontroert, vervreemdt, een beetje voyeuristisch aandoet zelfs. Omdat je tot nadenken wordt gedwongen. Wanneer werd ik zelf eigenlijk mezelf? En die onbehouwen dans, ja, zo gíng dat. De nerd die door een pezige onruststoker tegen zijn bovenarm wordt gestompt. Het buitelen van testosteronjongens met hun primatenmotoriek. Trillerige meisjes, onzeker en toch ook trots.

Melancholia draait om contrasten. De rauwe, vaak individuele choreografie van Ives Thuwis met verwijzingen naar breakdance, streetdance en Ierse dans krijgen muzikaal contrapunt van Monteverdi, Purcell, Froberger, Dowland en meer door de musici van La Cetra o.l.v. Andrea Marcon levendig gespeelde barokcomponisten. De aria’s en ensembles - vooral die door countertenor Tim Mead worden bijzonder fraai gezongen - zijn geselecteerd op thematiek: liefde, tijd, verlies, dood. Jammer dat er geen boventitels zijn. De bezongen thematiek voel je nu wel, maar cognitief beleef je hem minder intens. In het licht van de uitgestrektheid van de voorstelling een gemiste kans.

Sterk element zijn de live bewerkte filmbeelden, waarop selfies bevriezen in collages en reeksen portretten versmelten in één anoniem contour. Vergankelijk, dat zijn we immers allemaal. En toch ontkom je niet aan de indruk dat de Melancholia die deze voorstelling oproept meer voortkomt uit die sprekende tienerogen (je ziet er de volwassene in, maar ook nog het kleutertje) dan uit het besef van eindigheid. Die kinderen zijn gewoon te vitaal om melancholie te laten omslaan in tristesse, zelfs het met spuug tranen op hun wangen tekenen (een snel te vergeten cliché) bewerkstelligt dat niet. Maar misschien is het ook wel de troost van de muziek. Monteverdi, Purcell, Froberger, Dowland: hun schoonheid blijft altijd.

    • Mischa Spel