De triomf van de stad is kwetsbaar

De grote stad bloeit, maar niet iedereen geniet daarvan mee, blijkt uit een rapport. Tweedeling dreigt.

Het gaat goed met de meeste grote steden in Nederland. Waren ze twintig jaar geleden het zorgenkind van de politiek, waarvoor onder de ‘paarse’ kabinetten zelfs een apart bewindspersoon voor werd aangesteld, inmiddels zijn steden mooier, schoner, veiliger, kortom aantrekkelijker geworden. Maar, zegt onderzoeker Gerard Marlet: „Het succes kan zich tegen de steden keren.”

Vandaag verschijnt de jaarlijkse Atlas voor Gemeenten, waarin de vijftig grootste gemeenten op vijftig punten met elkaar worden vergeleken. Dit keer is een vergelijking gemaakt met tien jaar geleden. Opnieuw is Amsterdam veruit de aantrekkelijkste woonstad van Nederland, zo blijkt uit het onderzoek van Marlet en anderen, en opnieuw op gepaste afstand gevolgd door Utrecht en Amstelveen.

De triomf van de stad, zoals deze de laatste jaren wordt omschreven, is volgens de onderzoekers kwetsbaar. In de aantrekkelijke steden profiteert „lang niet iedereen” van de geneugten van de stad. Er is sprake van „ruimtelijke segregatie” en „relatief veel werkloosheid” onder stedelingen van buitenlandse komaf. Marlet: „Volgens de zogenoemde trickle down theorie moeten steden veel aandacht besteden aan hoger opgeleiden, en sijpelen de positieve effecten daarvan, zoals meer banen in de dienstensector, vanzelf door naar lager opgeleiden. Maar in de praktijk werkt dat niet zo. In de praktijk worden die banen voor lager opgeleiden ingepikt door partners en kinderen van hoger opgeleiden, zoals in de horeca.”

Vervolgens worden de lager opgeleiden ook nog eens „de randen van de stad in geduwd”, aldus Marlet, omdat die veelal zijn aangewezen op sociale huurwoningen die in de stadscentra bijna niet meer te vinden zijn. Dat leidt tot „ruimtelijke segregatie” en zoiets wekt „frustraties” en „sociale onrust” bij bevolkingsgroepen. Marlet: „Er is méér frustratie onder mensen in de steden die niet meedelen in de aantrekkelijkheid van grote steden dat in gebieden waar toch al geen kansen zijn. Dat zie je in steden als Londen en Parijs.” Als „opgave” voor de steden zien de onderzoekers de komende jaren het garanderen van de „leefbaarheid” voor alle inwoners. Marlet: „Vroeger was de verpauperde binnenstad het probleem, nu is dat de tweedeling in de samenleving.”

Tien van de vijftig grootste gemeenten hebben te maken met krimp. Dat geldt voor onder meer Heerlen, Emmen en Roosendaal. Hun geografische ligging, aan de rand van het land en buiten de Randstad, maakt het lastig de eigen attractiewaarde te verhogen. „Maar met het opknappen en uitbreiden van de woningvoorraad en met een rijk palet aan culturele voorzieningen kan dat soms toch lukken. Kijk naar een stad als Groningen”, aldus Marlet. Ook zonder zeventiende-eeuwse binnenstad kunnen steden zich profileren, bijvoorbeeld met de aanwezigheid van restaurants en de „culinaire kwaliteit” daarvan. Bij die categorie voert Maastricht de ranglijst aan.

De Atlas voor Gemeenten heeft dit jaar ook onderzoek gedaan naar de betekenis van water voor een stad. Volgens de Atlas wegen de voordelen van de nabijheid van recreatief water, van kust tot beek, gemakkelijk op tegen de nadelen van een overstromingsrisico, mede als gevolg van alle maatregelen zoals Ruimte voor de Rivier, die het risico daarop hebben verkleind. Het overstromingsrisico leidt tot een waardedaling van gemiddeld één procent bij woningen, maar de voordelen van de nabijheid van water doen deze waarde met ongeveer vijf procent stijgen.

Overigens hebben steden lang niet altijd zelf invloed op hun attractiewaarde. Zo hangt de bereikbaarheid van steden, een van de „significant verklarende indicatoren” in het onderzoek, samen met de bestrijding van files of het uitblijven daarvan door het Rijk. Bovendien verandert de „mode”, aldus onderzoeker Marlet: „Een monumentale binnenstad wordt veel belangrijker gevonden dan vroeger.”

    • Arjen Schreuder