Recensie

Vanuit een dode os een vosje vangen

Elephants at Twilight, Botswana, 1989. Foto Frans Lanting

Wie geen telelens heeft moest slim zijn. Om in de 19de eeuw een vogel, hoog in het nest, of een schuwe ree, verscholen in een dicht bos te fotograferen, had enige creativiteit en een avontuurlijke inslag nodig. Handzame fototoestellen waren er nog niet, dus bouwde een fotograaf een houten toren van een meter of 4 hoog en zeulde zijn zware plaatcamera naar boven. Of hij ging in een bootje naar een nest op het Naardermeer, statief mee, glasnegatieven, lenzen, verrekijker, schuiltentje en rubberen laarzen.

De Britse gebroeders Kearton, zo’n beetje de David Attenboroughs van hun tijd, vroegen hun slager een os te slachten en die uit te hollen. In hun opgezette rund trokken ze de natuur in, om torenvalken en kievieten, herten en vosjes, door een gaatje in de kop van de os te fotograferen.

In het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam is deze zomer een prachtige expositie te zien over de pioniers van de natuurfotografie. Het museum heeft uit de collectie een selectie gemaakt die het verhaal vertelt van de opkomst van het genre. De foto’s gunnen ons een blik op verdwenen landschappen, uit de tijd dat Nederland ontdekt dat de eigen natuur, ondanks het ontbreken van bergen en snelstromende rivieren de moeite waard is om te koesteren. En te beschermen, want door verstedelijking en industrialisatie moest steeds vaker het „liefelijke, zwijgende rijk der planten” plaatsmaken voor de „woelenden en tierenden mensch”, zoals Frederik van Eeden in 1886 schreef.

We zien hier de eerste vogelfoto, van een zwarte stern; een albumineprint gemaakt door Alexander Clark Kennedy in 1852. Een monumentale eik in Park Twickel in Delden, in 1907 gefotografeerd door Richard Tepe. En het schitterende filmpje uit 1924 van J.C. Mol, die zich toen al bezighield met timelapse-fotografie, en waarin we zien hoe een bloemknop langzaam ontluikt tot bloem.

De historische foto’s worden aangevuld met hedendaags werk van onder andere Charlotte Dumas (wolven), Kim Boske (bossen) en Erik Kessels, die foto’s van herten kocht van jagers die ‘motion detection’-camera’s gebruiken bij de jacht.

Natuurlijk hadden de pioniers uit de 19de eeuw deze techniek – het dier zorgt door eigen beweging dat er een foto wordt gemaakt – al lang zo’n soort techniek bedacht: Johannes Vijverberg ontwikkelde rond 1910 een elektrisch mechanisme waarbij door middel van twee draden in het nest de vogels zelf contact maakten met de camera waardoor het sluitermechanisme werd geactiveerd; een heuse vogelselfie.

    • Rianne van Dijck