Recensie

Met dromen het kwaad bezweren

In Mijn vaders dromen haalt een geliefde plattelandsarts akelige experimenten uit, bij voorkeur op zwangere meisjes. Zijn zoon Adam vlucht in een fantasiewereld, die zijn blik op de werkelijkheid vertroebelt.

Zodra je op de eerste bladzijde van Evald Flisars Mijn vaders dromen de zin ‘Niemand weet waarom mijn vader kort na zijn vijftigste gek werd, terwijl hij toch als een verstandig mens bekendstond’ hebt gelezen, weet je dat je in een intrigerende roman bent beland. Een roman die je laat zien tot welke perversiteiten iemand in staat is, wanneer hij geleid wordt door krachten waar hij geen vat op heeft. Dat onderdrukte seksuele verlangens hierbij een rol spelen, verbaast je niet. Flisar is een aanhanger van de ideeën van Freud, wiens droomduidingen in dit boek dan ook een belangrijke rol spelen.

Hoofdpersoon is de 14-jarige Adam, de zoon van een vooral bij zijn vrouwelijke patiënten geliefde plattelandsarts. Flisar zet die dokter enerzijds neer als een vriendelijke huisvader, maar algauw strooit hij met gif en wordt dat beeld wreed verstoord. Zeker als je leest dat Adams vader een voorkeur heeft voor het behandelen van zwangere meisjes en hij in de kelder van het lokale gezondheidscentrum geheimzinnige experimenten uitvoert.

Als Adam op school een opstel moet schrijven met de titel ‘Wat heb ik vannacht gedroomd?’ is dat het begin van zijn wilde fantasieën, die zijn blik op de werkelijkheid vertroebelen. Op die manier creëert Flisar een morbide werkelijkheid, waarin geen normaal mens voorkomt.

Noodlot

Aanvankelijk beperken Adams fantasie-uitbarstingen zich tot zijn verlangen om het noodlot te kunnen beïnvloeden. Zo laat hij in zijn opstel zijn moeder bij een treinongeluk omkomen dat hij samen met zijn vader opzettelijk veroorzaakt. Dat die eeuwig bezorgde moeder na lezing van haar zoons ‘literaire inspanningen’ drie dagen van slag is en uit ongerustheid over zijn geestelijke welzijn eist dat haar man hem grondig onderzoekt, kun je goed begrijpen. Dat Adams vader in dat opstel de wortels van de genialiteit van zijn zoon herkent en hem aanmoedigt een dromendagboek bij te gaan houden, is daarentegen een omineus teken.

Flisar dient de perversie pas echt goed op als de vijftienjarige Eva ten tonele verschijnt. Zij is een vroegrijp meisje dat de naïeve Adam verleidt en met hem wil vrijen. Ze heeft hem dan al verteld dat zijn vader regelmatig zalf in haar vagina smeert om de pijn die ze daar heeft te verlichten. Als Adam in haar wil komen, duikt ineens zijn vader op die hem met een klap voor zijn hoofd bewusteloos slaat. Adam meent nu in een droom te zien hoe zijn vader met Eva vrijt. Het is een droom die waargebeurd zal blijken te zijn, ook al dringt dat pas geleidelijk aan tot Adam door. Want zelfs als hij later door een kier in de vloer van de zolder van het gezondheidscentrum ziet hoe zijn vader in zijn spreekkamer seks met Eva heeft, blijft hij zichzelf wijsmaken dat hij het droomt, omdat hij zich niet kan voorstellen dat zijn vader zoiets met een jonge patiënte zou doen.

Eva is een drugsverslaafde, die in ruil voor seks heroïne van de dokter krijgt. De dokter zelf is verslaafd aan zijn zondeval. Dat blijkt duidelijk wanneer hij Eva dwingt zich uit te kleden en zegt: ‘Waar is de poort naar de hel die je me steeds belooft?’ Die zondeval zal hem krankzinnig maken en tot wreedheden tegen zijn vrouw en zoon dwingen.

Adam vindt troost bij de op sterk water gezette foetus van zijn geaborteerde broertje, die hij in de kelder van het gezondheidscentrum aantreft. Aan Abortus, zoals hij de foetus noemt, leest hij zijn dromendagboek voor.

De gekte is kortom alom aanwezig in deze roman, die soms doet denken aan Günter Grass’ Die Blechtrommel, waarin ook een relatief normale jongen het opneemt tegen de gestoorde volwassenen om hem heen. Net als Grass presenteert Flisar die gekte als iets doodgewoons. En zo voert hij je een gruwelijke wereld binnen, die op het eerste gezicht drastisch verschilt van de onze, maar er tegelijkertijd beangstigend veel op lijkt.

    • Michel Krielaars