‘Ik ben de oom die altijd werkt’

(46) is horecaondernemer en heeft vastgoed en investeringen over de hele wereld. Hij werd geboren in Tilburg, boven het restaurant van zijn ouders. ‘Als ik vroeger tv zat te kijken, zat er achttien man personeel mee te koekeloeren.’

Het is tien over vier in de middag en Won Yip is net wakker. Een serveerster zet een warme croissant met kaas en een muntthee voor hem neer in zijn eigen café-restaurant. Majestic heet het en het zit naast de Bijenkorf op de Dam. Alle cafés op de Dam (Yip Fellows, Europub, Café Zwart) zijn trouwens van hem. Won Yips bijnaam is Mr. Damsquare. Zijn eerste café op de Dam kocht hij in 1990. Hij was 21, zijn vader was net overleden. Een schooldiploma had hij niet, maar wel al twee jaar een goedlopend café in Goes. Hij is geboren in Zeeland.

Won Yip exploiteert nu zes horecazaken, heeft belangen in diverse andere horeca. Hij heeft vastgoed in New York en Las Vegas, investeringen in Londen, Istanbul, Los Angeles en Dubai. En sinds begin dit jaar is hij ook de eigenaar van het duurste én het grootste appartement van Nederland. Voor 16 miljoen kocht hij een nog te bouwen penthouse van 1.440 vierkante meter in de Amsterdamse Houthavens, inclusief acht parkeer- en twee ligplaatsen. Naar verluidt heeft hij er niet eens een hypotheek voor hoeven afsluiten. Zijn vermogen wordt geschat op een bedrag met zeven nullen.

„Ik moet nog een jaar of tien werken”, zegt hij. En dan? „Dan moet ik niks meer. Dan gaat de wekker uit.” Hij laat de wektijden op zijn iPhone zien: 01.15. 00.40. 05.20. En die van zo-even: 16.05. „Vroeger ging ik door tot het gaatje, pas als het werk gedaan was, ging ik naar bed. Maar het punt is: het werk stopt nooit.”

Nu slaapt hij een paar keer per etmaal twee, tweeënhalf uur en staat dan op om met Bali of de VS te bellen of te mailen. Tweehonderd mails per dag. Minstens. „Een secretaresse heb ik niet, ik doe alles zelf.” Bijna alles, want hij heeft ook ruim tweehonderd man personeel. Hij neemt ze zelf aan en van iedereen die langer dan een jaar bij hem in dienst blijft, onthoudt hij meestal wel gezicht en naam.

Boven het café op de Dam, in het penthouse, is zijn kantoor, of eigenlijk zijn huis. „Het is een soort dienstwoning. Volledig ingericht, dat wel. Heerlijk bed, luxe keuken, alles erop en eraan, maar hoe het fornuis werkt, geen idee. Ik kook niet. Nooit gedaan ook.”

Dit jaar werd het appartement opgeleverd dat hij in 2008, casco, kocht op de Zuidas. Hij is daar ook mede-eigenaar van het huis van Sjoerd Kooistra, bekend horecaondernemer die failliet ging en zelfmoord pleegde. „Toen ik het kocht, overwoog ik een carrièreswitch. Misschien wat rustiger aan gaan doen. Settelen.” Maar de kredietcrisis brak uit. „Jarenlang had ik geen tijd om iets aan het appartement te doen. Nu had ik het net helemaal verbouwd en door Eric Kuster (interieurontwerper, red.) laten inrichten, komt de Pontsteiger voorbij.”

Zijn penthouse van 16 miljoen. Als het af is, gaat hij er misschien wel wonen. „Dertig jaar heb ik spullen verzameld die ik ooit in mijn huis wil zetten. Dingen die ik tegenkom, in Parijs of New York. Het kan van alles zijn, een klok, een meubel. Als ik iets mooi vind, koop ik het.” Het meeste staat nog in de opslag. „Ik kan het niet kwijt. Ik heb met mezelf afgesproken dat ik voorlopig niks meer koop.”

Thuis dat is voor hem Goes, waar zijn vrouw Heleen woont met haar zoon van 19 en dochter van 16. Om de week gaat hij er een weekend heen. „Ik kwam haar tegen in een café. Ik was dertig. Ik had makkelijk ook al een paar kinderen kunnen hebben. Maar zij had de mazzel dat ik die bagage niet had.” Jammer dat hij met haar niet nog een kind heeft gekregen? Nee, of nou ja, een beetje. „Daar moet je eerlijk in wezen: you can’t have it all. Ik heb een carrière, ik ben altijd aan het werk. En dan nog een baby?” Bovendien, zijn twee broers (een oudere, een jongere) en zijn zus hebben kinderen, hij is peetoom. En suikeroom. „Elk jaar nodig ik alle kinderen uit voor een vakantie naar keuze. En dan zeg ik: je mág je ouders meevragen. Het hoeft dus niet, hè. Wat denk je: iedereen gaat altijd mee.” Dit jaar zijn ze met z’n allen (negen kinderen plus hun ouders) negen dagen in Santa Monica geweest. „Ik mag ze verwennen. Ik wil ze een stukje van de wereld laten zien. Hen laten ervaren dat hard werken loont. Ze kennen me als de oom die altijd werkt. Nu begrijpen ze waarom.”

Laatst kocht hij een pand in Goes, er zat een restaurant in. „Zegt de brandweer: de koks mogen niet meer boven de zaak wonen. In één klap was ik weer kind. Als ik vroeger tv zat te kijken, zat er achttien man personeel mee te koekeloeren. Alle koks woonden bij ons. Nul privacy. Gek, zei mijn vrouw. Dat had ik haar in de vijftien jaar dat we samen zijn nooit verteld.”

Zijn vader was een boerenzoon, oudste van acht kinderen. „Of negen. In elk geval: bittere armoede en honger.” Hij vertrok naar Shanghai op zoek naar werk. Hij kon als kok mee op een koopvaardijschip. „Mijn moeder woonde in Shanghai. Zij ging met hem mee.” Hadden ze allang verkering? Verbaasd: „Van verliefdheid of houden van was geen sprake. Hij was haar kans om uit de ellende weg te komen. Het was een vlucht.” Via Parijs, Rotterdam en Brabant kwamen ze in Zeeland terecht. „Mijn zus was het eerste Chinese meisje in Zeeland.” Zijn ouders werkten soms in drie restaurants tegelijk, in verschillende steden. „Elk jaar kreeg mijn moeder een kind. Ze werkte, ze beviel, en de dag erna was ze weer aan het werk.”

Het eerste, eigen restaurant van zijn ouders ging begin jaren zeventig open, in Vlissingen. En alle kinderen werkten mee. „Daar was geen discussie over. Veel praten deden we sowieso niet. Nog steeds niet. Ik kan een hele dag naast mijn zus zitten te werken (zij is de CFO van de Yip Company, red.) en als we dan tien zinnen tegen elkaar zeggen, is het veel.” „Mijn vader was streng. Het was ‘goedemorgen, vader’ en ‘goedenacht’. Nooit: hoe was het op school? Ben je gek? Je mocht blij zijn dat je op school zat.”

Dat Won Yip z’n school niet afmaakte, moet aan de aandacht zijn ontglipt. „Thuis had je de oudste zoon, het enige meisje en de benjamin. Ik was de derde, wat ik deed, viel niet zo op.” Zijn vader vond: „Je bent gast in dit land, dus je gedraagt je. Gedroeg je je niet, dan kreeg je een knal voor je hersens. Maar hij was ook zorgzaam. Altijd koken voor het gezin. Chinees. Veel groenten. Rijst. Eens in de vier weken ossenhaas.”

Zijn vader overleed op zijn 56ste. Neuskanker. Opgelopen, denkt Won Yip, door veertig jaar werken boven dampende pannen. „Hij was vrij fors. Maar van zijn 115 kilo was op het eind nog maar 50 over.” Won Yip was 19 toen zijn vader overleed en hij was net eigen baas. Van wat hij verdiende met een handeltje in vuurwerk en een paar krantenwijken (die hij anderen liet lopen) had hij Pubbles gekocht, een kroeg in Goes. „Om zeven uur ’s avonds ging mijn vader dood, om tien uur was ik op de zaak.”

De eerste pakweg vijftien jaar na zijn dood waren „ondraaglijk”. „Eén broer was in loondienst, één zat er nog op school, mijn zus studeerde aan de Erasmus Universiteit. Maar ik was ondernemer. Dus ik werd het hoofd van de familie.” Dat is hij nog. Hij bepaalt en betaalt.

Hun moeder kwam in een „neerwaartse spiraal” na de dood van haar echtgenoot. „Ik zei: mam, zeg wat je wilt, ik regel het.” Ze woont nu in China, in het geboortedorp van haar man met iemand bij haar in huis die permanent op haar let. Twee keer per jaar haalt Won Yip haar naar Nederland. Dan boekt hij een kamer voor haar in een hotel op de Dam.

Hij vond het altijd een eer, zegt hij, om familiehoofd te zijn. Geen offer? „Als je de maatstaven van nu hanteert, moet je het misschien zo noemen.” Zijn oudste broer is nu ook ondernemer. „Af en toe laat ik hem iets oplossen.” Heel geleidelijk wil hij zo afbouwen. Niet meer 24/7 zelf aan de bak, maar in alle rust „het geld laten werken”.

    • Rinskje Koelewijn Foto Frank Ruiter