Hoort homohaat bij de islam?

Hoewel veel islamitische landen homoseksualiteit zwaar bestraffen, is de praktijk vaak milder. Ook in Afghanistan, waar de vader van de Omar Mateen vandaan komt.

De aanblik van twee zoenende mannen in het openbaar deed Omar Mateen, de aanstichter van het bloedbad in een homoclub, in woede uitbarsten. Dat vertelde zijn vader zondag.

Veel fundamentalistische moslims – en veel wijst erop dat Mateen daartoe behoorde – zouden zoenende mannen een probleem vinden, evenals trouwens veel rechtzinnige christenen. Zowel de Talibaan als Islamitische Staat zijn fel tegen elke uiting van homoseksualiteit.

Beide organisaties beschouwen de herenliefde als strijdig met de sharia, het islamitisch recht. Ze stelden homoseksuele mannen terecht. IS deed dat bij herhaling op gruwelijke wijze. Mannen die van homoseksualiteit werden verdacht gooide men van hoge gebouwen af.

Niet voor niets worden homoseksuele handelingen soms ook met de dood bestraft in landen als Saoedi-Arabië, Irak en Iran, zeker als het gaat om gehuwde mannen. Als het al niet gebeurt door de regering, dan door agressieve milities.

Homoseksuelen worden ook wel valselijk beschuldigd van andere misdrijven. In Maleisië verdween de oppositieleider, Anwar Ibrahim, achter de tralies wegens ‘sodomie’, al klopte er volgens critici weinig van de bewijsvoering.

Is homoseksualiteit ook strijdig met de Koran? Volgens de meeste islamgeleerden wel, maar liberale theologen wijzen op ruimte voor twijfel. In de meeste islamitische landen rust een taboe op homoseksualiteit.

Ook de segregatie tussen mannen en vrouwen draagt daartoe bij, evenals het feit dat veel jonge mannen zich geen huwelijk kunnen veroorloven omdat ze geen bruidsschat kunnen betalen. Seks met andere mannen is dan een alternatief.

In grote steden in Egypte, Turkije en Marokko kunnen homoseksuelen op zoek naar seks relatief gemakkelijk aan hun trekken komen, maar ook daarbuiten is dat bepaald niet uitzonderlijk, al kleven er risico’s aan.

In Afghanistan, waar Mateens vader vandaan komt, houden velen er – zeker op het weinig ontwikkelde platteland – een tamelijk dubbele seksuele moraal op na. Amerikaanse onderzoekers die zich in opdracht van het leger verdiepten in de seksuele mores, ontdekten dat Afghaanse mannen die seksueel contact met mannen hadden gehad en daar ook seksuele aandoeningen aan hadden overgehouden, zichzelf volstrekt niet als homoseksuelen beschouwden.

Een andere man die ze spraken, merkte op: „Hoe kun je er nu naar verlangen bij een vrouw te zijn, die Allah onrein heeft geschapen, wanneer je ook met een man kunt zijn die wel rein is?”

De ‘knapenliefde’ is er wijdverbreid. Volwassen mannen kopen of ontvoeren tienerjongens, die ze vervolgens als meisjes uitdossen, voor zich laten dansen en seksueel misbruiken. Dergelijke volwassenen beschouwen zich niet als homoseksuelen. Een bekende Afghaanse zegswijze is „dat vrouwen er zijn voor kinderen en jongens voor het plezier”.

Afghaanse krijgsheren ontlenen een zekere trots aan naar westers gebruik pedofiele praktijken en achten die niet in strijd met de islam. Doorslaggevend voor het aanzien van partners is vaak wie de sterkste is in zo’n relatie. De sterke wordt niet door de maatschappij geminacht, de zwakste wordt vaak bespot.

Onder de grootste Afghaanse etnische groep, de Pathanen, zijn er tal van bekende oude gedichtjes en liedjes, die veel zeggen over de seksuele voorkeuren. De Afghaanse dichter en tribale leider Khushal Khan Khattack dichtte bijvoorbeeld al in de zeventiende eeuw: „Aan de overkant van de rivier staat een jongen met een kontje als een perzik, maar helaas, ik kan niet zwemmen.”

    • Floris van Straaten