Een schipper is weerman, dokter en een beetje politieagent

Haringvissers Zaterdag gaat het haringseizoen officieel van start. Hans van der Plas werkt al sinds zijn 19e op een haringboot. „Ik vind soms meer rust op zee.”

Tammy van Nerum

Hans van der Plas (40) is vierde generatie haringvisser en trots op zijn beroep. Op vlaggetjesdag, de dag waarop traditioneel in Scheveningen de komst van de Hollandse Nieuwe wordt gevierd, is hij nog nét iets trotser. Dit jaar gaat hij rondvaren op een van de boten van de rederij. En natuurlijk een harinkje eten.

Hij was vier toen zijn juf aan zijn moeder vroeg: „Kan die jongen nou niks anders dan boten tekenen?”. Op zijn zevende voer hij voor het eerst mee met zijn vader, vertelt Van der Plas. „Dat mocht toen nog. Tegenwoordig moet je zestien zijn, dus mijn zoon moet nog even wachten voor hij meekan.” Er klinkt enige teleurstelling door in de stem van de haringvisser. „Ik vond het varen op die leeftijd al fantastisch en was altijd bloedchagrijnig als we weer naar huis gingen.”

Het is rustig op het haventerrein van IJmuiden. Meeuwen cirkelen boven het water. Een kraan tilt dozen van een dek naar de kade. Er hangt een geur van kibbeling en olie. Van der Plas loopt naar de Cornelis Vrolijk H-171 die aan de Makreelkade is aangelegd. Dit indrukwekkende gevaarte van 115 meter met gele kranen en mast is eigendom van Rederij Cornelis Vrolijk. Van der Plas is de schipper. „Ik houd ontzettend van dit schip. Als we varen, is dit ons thuis.”

Van der Plas en zijn bemanning bevaren de Noordzee tot aan Shetlandeilanden. Ze zijn ongeveer drie weken op zee en drie weken thuis. Hij draait diensten van zes uur, dan is hij zes uur vrij en dan meldt hij zich weer voor de volgende zes uur. „Een ritme waar je aan went.” Tot september wordt er haring gevangen, de rest van het jaar gaat de jacht voort op makreel.

Een halve weerman

Tijdens het varen kijkt Van der Plas op drie verschillende programma’s naar het weer. „Je bent in dit vak een halve weerman. We hebben bij Noord-Schotland een keer zulk slecht weer gehad dat we heel dicht achter die kluiten voor de Schotse kust moesten gaan liggen om te schuilen tegen de wind.” De golven waren verschrikkelijk hoog, er kon zomaar iemand overboord slaan, zegt Van der Plas. „Dat wil je voorkomen. Veiligheid staat voorop. Dan maar geen haring.”

Van der Plas werd zich al jong bewust van de gevaren die zijn beroep met zich meebrengt. „Mijn opa voer als schipper op een haringboot met mijn vader als eerste stuurman en oom als jonge matroos. Ze zijn in een storm terechtgekomen en mijn oom is toen te water geraakt. Er zijn allerlei schepen gekomen om te helpen zoeken, uren hebben ze daar rondgevaren, maar uiteindelijk wisten ze dat hij het niet overleefd kon hebben. Toen moest mijn opa de beslissing nemen om te stoppen met zoeken en terug naar huis te varen zonder zijn zoon. Verschrikkelijk natuurlijk. Mijn opa heeft daarna niet lang meer gevaren.”

Van der Plas kijkt ernstig: „Het was natuurlijk een andere tijd. Alles is nu veiliger, we hebben zoveel apparatuur. We hebben internet, de schepen zijn groter. Wat hadden zij nou helemaal? Alleen een kompas. En zeemansinstinct.”

‘Alles moet snel gebeuren.

Het blijft toch vis hè en vis zwemt weg’

Sinds Hans van der Plas op zijn 19e begon, is er wel het een en ander veranderd. Het ‘visbestand’ is gezonder geworden: er zit veel haring in de Noordzee en in de Noorse en IJslandse wateren. Het is het resultaat van goede regelgeving vanuit de EU, volgens Van der Plas. „We laten nu het kapitaal in de zee zitten en vangen de rente. Daardoor is er geen sprake meer van overbevissing. Die aanpak geeft me vertrouwen voor de toekomst.”

De brug, van waaruit de schipper kan uitkijken over zowel voor als achterkant van het schip, staat vol met apparatuur en schermen. Sonars, echometers met verschillende frequenties, vier verschillende marifoons, lichtknoppen voor de mast. Er is een bureau met zeekaarten, een heus scheepswiel voor noodgevallen.

Met de sonars wordt rondom het schip een signaal afgegeven. Tot tweeduizend meter kunnen de haringvissers om zich heen kijken. Zien ze een school vis zwemmen, dan zetten ze koers, varen eroverheen en bepalen ze vervolgens of het om haring gaat. Haring is goed te zien op een lage frequentie, makreel juist op een hoge. Is het inderdaad haring dan staat iedereen paraat: „Er klinkt dan een alarm en de jongens die de netten uitzetten, komen vervolgens echt hun kooi uitrennen, want alles moet snel gebeuren. Het blijft toch vis hè, en vis zwemt weg.” Het schip kan maximaal 250 ton vis per dag verwerken en vaart met maximaal 3.000 ton vis terug naar de haven. De uiteindelijke opbrengst van de vis is afhankelijk van de kwaliteit.

Naald en draad

Een „kleine gemeenschap zo noemt Van der Plas de crew van 43 man. Hij is soms „even politieagent”. „Ik heb gelukkig nog nooit iemand hoeven opsluiten, maar als het moet, doe ik het”, zegt hij even rustig als serieus. „En als er iets misgaat, of iemand wordt ziek, ben ik ook de dokter.” Hij toont het kleine hospitaal in het schip, twee kooien van elkaar gescheiden door gordijntjes. „Kijk, hier staan de medicijnkasten, echt een hele apotheek.” Laatst heeft hij nog iemand moeten hechten. „Die had een grote snee in zijn hand en we waren ver van de kust, dus dan pak je naald en draad. Het is een gek gevoel hoor. In de cursus medische zorg aan boord, oefen je op een stuk varkensbuik. Dat gaat soepel, maar een mensenhuid voelt echt aan als olifantenhuid. Maar goed, je kunt zo’n jongen ook niet laten zitten.”

In de smalle gangen van de Cornelis Vrolijk H-171 klinkt gelach. Twee zeebonken roken samen een shaggie, aan de wand hangt een afbeelding van een vrolijke blote vrouw. Verderop zijn gezamenlijke doucheruimtes, een washok en een kombuis. Het is een wereld die voor een buitenstaander eenzaam kan lijken. Van der Plas schudt zijn hoofd: „Wij, de bemanningsleden, zijn familie van elkaar. Sommigen letterlijk, en sommigen omdat ze al twintig jaar met elkaar varen.”

Toch verandert er wel iets als je thuis een gezin hebt. „Ik ben altijd bang dat er iets gebeurt bij het thuisfront terwijl ik op zee zit. Tegenwoordig heb je Whatsapp, maar als ik dan een vraag heb gesteld aan een van mijn kinderen en ze antwoorden niet, dan denk ik: er zal toch niks mis zijn? Ik ben altijd heel blij om ze op de kade te zien staan als we weer binnenvaren.”

Na drie weken op zee moet Van der Plas altijd weer „even integreren”. „Als ik thuiskom hoor ik de motor niet meer en het huis beweegt niet. Ook moet ik wennen aan de hectiek van het leven aan wal. Het klinkt gek, maar ik vind soms meer rust op zee.” Hij kijkt even liefdevol uit over het schip: „Na veertien dagen voel ik het ook altijd alweer kriebelen, dan wil ik weer de zee op.”

    • Aukelien Weverling