Opinie

    • Frits Abrahams

Moeders dood

Schrijven over de moord op je vrouw, en nog wel zo kort erna, leek mij een al te hachelijke onderneming, maar Antoine Leiris bewees mijn ongelijk met zijn boekje Mijn haat krijgen jullie niet. Daarin heeft hij het dagboek opgenomen dat hij bijhield na de moordpartij in het Parijse Bataclantheater op 13 november 2015, waarvan zijn vrouw Hélène een van de slachtoffers was.

Leiris, een 34-jarige Parijse cultuurjournalist, heeft het kort gehouden – en dat is meteen de kracht van het boekje. Bondigheid voorkomt pathos. Leiris is zo suggestief mogelijk te werk gegaan. Hij stort zich niet in allerlei gedetailleerde uitweidingen, maar toont wel veel gevoel voor het treffende detail.

Hij bleef achter met Melvil, een zoontje van zeventien maanden. De passages waarin hij hun samenzijn beschrijft, zijn hoogtepunten in dit schrijnende boekje. Melvil kan niet beseffen wat er met zijn moeder gebeurd is, maar hij mist haar wel, en elke dag méér. Leiris probeert zich groot te houden voor zijn zoon, maar „soms vallen de façades”, en hoort Melvil een ingehouden snik. „Mijn hart klopt te snel. Hij weet dat papa pijn heeft. Hij ziet het gapende gat van ons leven verschijnen. Een onzichtbaar monster komt eruit om ons erin te sleuren. We huilen. Het gat gaat langzaam weer dicht. We zijn er nog steeds. De dirigent en de solist. Ons bestaantje herhaalt zich elke dag, eindeloos.”

Het leven gaat onverschillig, maar dwingend door: de meteropnemer komt, Melvil gaat naar de crèche en zijn nageltjes – hoe doe je dat als onervaren vader? – moeten geknipt.

Melvil mocht niet naar de begrafenis, maar een dag later wel naar de begraafplaats. Zijn vader legt een foto van Hélène op het graf, maar Melvil pakt hem terug en neemt hem mee. „Ze is bij ons”, schrijft Leiris. „We zijn met z’n drieën. We zullen altijd met z’n drieën zijn.” Hoe zal Melvil later op de dood van zijn moeder terugkijken? Er bestaat een Nederlands gedicht over, Moeder’s dood, van Joh. C.P. Alberts (1893 – 1967), ook een journalist. Het gedicht is autobiografisch: Alberts had een zeer ongelukkige jeugd, zijn ouders scheidden vroeg en zijn moeder overleed toen hij zeven jaar was. Zijn natuurlijke vader eiste hem op bij zijn stiefvader, hield hem twee jaar in huis opgesloten. Johan ontsnapte door van het dak te springen. (Gelukkig lijkt Melvil een betere vader te hebben.)

Toen ik op blote voetjes naar je kamer liep,

vol vreemde lui, waar je te sterven lag

en ‘dokter, red me’ riep je, en je zag

me niet, voor ’t eerst zag je mij niet

en toen ik bij je kroop en je me niet omvatte,

je armen bleven strak, je lief gezicht,

en iemand drukte je verglaasde ogen dicht

en iemand snikte en ik dacht dat hij lachte

toen heb ik voor het eerst de dood verstaan

en was de droom voorbij en ving het lijden aan,

en ving het lijden aan en ’k was nog maar zo klein

en zou mijn hele leven verder eenzaam zijn

En wonderlijk hoe lang ik nog moest leven,

wel vijftig jaar, en al die zotternij

najagen, vóór ik had begrepen:

toen moeder dood was, was het al voorbij

    • Frits Abrahams